Please download to get full document.

View again

of 148
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

jaarboek s:- a. r::: co r::: co > ~L- ~ C'I.::.! Cl) j CT ti) Cl)

Category:

Business

Publish on:

Views: 87 | Pages: 148

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
jaarboek 1985 o r:::.- j CT co r::: co ti) co E o s:- a. Cl) ọ..... C'I.::.! Cl) ~L- ~ De Werkgroep Thomas van Aquino (opgericht 30 maart 1979) stelt zich ten doel: 1. De bestudering van de lheologie
Transcript
jaarboek 1985 o r:::.- j CT co r::: co ti) co E o s:- a. Cl) ọ..... C'I.::.! Cl) ~L- ~ De Werkgroep Thomas van Aquino (opgericht 30 maart 1979) stelt zich ten doel: 1. De bestudering van de lheologie van Thomas van Aquino en de invloed daarvan van de 13e eeuw tol op heden te bevorderen; 2. Een onderzoeksprogramma le ontwikkelen en gaande le houden betreffende de invloed van Thomas van Aquino op de theologie; 3. Onderzoeksprojecten op kleine of op grote schaal te slimuleren of te initiëren waardoor onderdelen van dat onderzoeksprogramma gerealiseerd worden. De Werkgroep Thomas van Aquino bestaat op dil moment uit de volgende leden: Prof. Dr. J.A. Aertsen, Centrale Interfaculteit, V.U. Amsterdam Drs. P. van Elswijk OP, Zwolle Drs. J.G.J. van den Eijnden OfM, Amsterdam secretariaat: Robert Scottstraat 7, 1056 AW Amsterdam Prof. Dr. f.j.a. de Grijs, KTHU/I'aculteit der Godgeleerdheid, RU, Utrecht Dr. H.P.f. Mereken, Centrale Interfaculteit RU, Utrecht Dr. P.G.J.M. Raedts SJ, KTHU, Utrecht Drs. J.W.C.M. van Reisen, KTHU, Utrecht Dr. H.W.M. Rikhof, f~culteit der Godgeleerdheid, KU Nijmegen Drs. W.G.S.M. Valkenberg, ZWO/KTHU, Utrecht Drs, R. te Velde, Amsterdam Drs. P. van Veldhuijsen, Centrale Interfaculteit, V.U. Amsterdam Dr. A. Vos, faculteit der Godgeleerdheid RU, Utrecht Drs. J.H.J.M. Vossenaar OfM, Oslo (Noorwegen) Drs. L.G.M. Winkeler, Kath. Documentatie Centrum KU Nijmegen Dr. J.S.M. Wissink, Utrecht, secretariaat Adviserende leden: Prof. Dr. J.C.P.A. van laarhoven, faculteit der Godgeleerdheid K U Nijmegen Prof. Dr. Th.J.f.M. van Velthoven, Centrale Interfaculteit UvA, Amsterdam jaarboek o.- c :::J C cu c cu ti) cu E o s:- 0- G) Cl.::t. G) ~~ ~ Typografische verzorging: M.M. Schippers-Winkeler Drukwerk: Huisdrukkerij Transitorium II - De Uith~f, Utrecht Auteursrechten voorbehouden C Werkgroep Thomas van AquinO, 1986 Het Jaarboek 1985 van de Werkgroep Thomas van Aquinu is te bestellen door overmaking van f 12,50 op postrekening van Stichting Thom~sfonds Zeist, onder vermelding van 'Jaarboek 1985'. INHOUDSOPGAVE TEN GELEIDE ARTIKELEN pag. S A. Bastiaensen De HymQe Sacris Solemniis: tekst, poëtische vorm,problemen van interpretatie. 9 f. de Grija Het schriftgebruik in De Regno van Thomas van Aquino. 34 H. Schoot Theologisch miniatuur: Oe proloog op het Scriptum, 73 Whitaker en Thomas. Een calvinistische Thomas-interpretatie. 85 L. Winkeler Dr. H.J.A.H. Schaepman, St. Thomas van Aquino 117 J. Wissink Een noli tie over de Thomasreceptie in 'Oer Gatt Jeau Christi' van w. Kaspar. 126 KRONIEKBIJDRAGEN P. Valkenberg Verslag van het onderzoeksproject naor het gebruik van de H. Schrift in de theologie van Thomas van Aquino 142 - 5 - TEN GELEIDE In het 'len Geleide' op het jaarboek 1984 werd melding gemaakt van het voorbereiden door de Werkgroep Thomas van Aquino van een symposium over de Thomasreceplie, met bijzondere aandacht voor een aantal personen uit de geschiedenis van Thomas' theologie1 Mel deze voorbereiding is de commissie nog steeds doende, maar de aoelstelling is wat bescheidener.geworden. Het bleek namelijk enkel mogelijk een sludiegroep samen le stellen, die zich wil bezig houden met de Thomasreceptie in de periode van het Vroegsle Thomisme, in het bijzonder mel belrekking tol de problematiek van de eeuwigheid van de wereld. Er wordl nu gewerkt aan een studiedag over ait onderwerp in hel najaar van Haar doelslelling - sludie van de theologie van Thomas van Aquino en van de receplie daarvan - verwezenlijkt de Werkgroep Thomas van Aquino verder door middel van regelmatige bijeenkomslen, waarop leden of gastsprekers verslsg doen van eigen onderzoek en de resullalen daarvan ler kritiache bespreking aanbieden. Zo werd de publicalie van J. van den Eijnden, Thomas van Aquino in de theologie. Een draaiboek voor receptieonderzoek2, door de auteur ingeleid en gezamenlijk besproken. Helzelfde gebeurde met de doctoraalscriplies van de leden R. te Velde: Het zijnde en het ware. Over de verhouding tussen het zijnde en het ware in de Quaestiones disputatae de veri tate van Thomas van Aquino; en van J. van Reisen: Dienstbaar aan de vrede. Een onderzoek naar de theologische verwerking van het oorlogsvraagstuk in de Summa Theologiae van Thomas van Aquino. Ih. van Vellhoven sprak over hel zijnde als godsnaam in Thomas' commenlaar op De divinis nominibus van Dionysius, in vergelijking mel het werk zelf van Dionysius. f. Broeyer hield ~en inleiding over de Ihomasreceptie bij de anglicaanse lheoloog uil de 16e eeuw, William Whilaker. Deze inleiding ligt ook len grondslag aan &en bijdrage vsn de hand van f. Broeyer in dil Jaarboek over dilzelfde onderwerp. Daarnaasl lrefl de lezer verschillende andere bijdragen aan: A. Basliaensen bespreekl de hymne Sacris Sollemniis uil hel Sacra- - 6 - mentsofficie van Thomas. Oe aandacht gaat daarbij vooral uit naar de hymnisch-poëtische aspecten, waarmee een heel eigen kant van de engelachtige doctor wordt belicht. r. de Grijs onderzoekt het schriftgebruik van Thomas in diens Oe Regno. Hij gaat in op de vraag of het theologisch karakter van dit werk ook blijkt uit de wijze waarop Thomas daarin omgaat met de Heilige Schrift. H. Schoot vraagt zich in zijn bijdrage of of de ordening van lombordus IV libri Sententiarum en Thomas' Scriptum een christologische relevantie heeft. Hij toont dat aan middels een divisio textus van de proloog van Thomas op zijn sententleëncommentaar. l. Winkeler geeft een oordeelover het thomistisch gehalte van het denken van de katholieke voorman uit de 1ge eeuw, dr. Schoepman en J. Wissink noteert en evalueert hoe W. Kasper in zijn boek Der Gott Jesu Christi omgaat mel gedachtengoed van Thomas. In kroniekbijdrage doet P. Valkenberg verslag van zijn STEGONonderzoek naar het schriftgebruik van Thomas in zijn Christologie. Tenslolle spreekt de Werkgroep haar erkentelijkheid uit voor de financiële steun, verleend door de Radboudslichting/Wetenschappelijk Onderwijs ronds, om haar werkzaamheden en de uitgave van het Jaarboek ook dit jaar weer le kunnen voorlzetten. Noten. 1. Vg1. Ten Geleide, in Jaarboek 1984, p, Gepubliceerd als publicatie no. 1, in de reeks Publicaties van de Werkgroep Thomas van Aquino, Utrecht (Deze uitgave is niel in de handel, maar le bestellen bij het secretariaat van de Werkgroep). - 7 - - 8 - 'oe CORPORE CHRISTI AD NOCTURNU Sacris sollemniis iuncla sinl gaudia, El ex praecordiis sonenl praeconia, Recedant velera, nova sint omnia, Corda voces el opera. Noclis recolitur cena novissima, Qua Chrislus credilur agnum et azima Dedisse fralribus iuxla legilima Priscis indulla patribus. Posl agnum typicum explelis epulis Corpus dominicum dalur discipulis Sic totum omnibus, quod lolum singulis Eius falemur manibus. Dedil fragilibus corporis fercujum, Dedit el tristibus sanguinis poculum, Dicens; accipite, quod trado vasculum, Omnes ex eo bilile. Sic sacrificium islud insliluil, Cuius officium commitli voluil Solis presbyleris, quibus sic congruil, Ul sumanl el dent celeris. Panis angelicus fil panis hominum Dal panis caelicus figuris terminum; Ores mirabilial Manducat Dominum Servus pauper et humilis. re trina deitas uneque, po se i mu s-, Sic nos lu visita, sicut te colimus, Per lubs semitas duc nos, quo tendimus, Ad lucem, quam inhabitas. - 9 - A. Basliaensen C.M. DB BYHNB SACRIS SOLLBHNIIS: TEKST, POETISCHE UORH, PROBLEHEN UAN INTERPRETATIE Aan hel begrijpen en genielen van dichlwerk gaal lechnische arbeid voorafl. Allereersl is er helonderzoek naar de persoon van de schrijver en naar de omslandigheden waaronder hij gewerkl heefl. Daarnaasl heefl men zich bezig le houden mel hel vaslslellen van de precieze leksl en mel hel kennis nemen van de poëlische vorm waarin de dichlerlijke inspiralie zich heeft uitgedrukl. Als dil slles vollooid is, zijn de voorwaarden geschapen voor verantwoorde interprelalie en objeclieve waardering. Wellicht len overvloede zij hierbij aangelekend dal deze werkverdeling niel een opeenvolging van streng gescheiden bezigheden is: mel name onderzoek betreffende juisle lekst en poëtische vorm sluil vaak een eersle begrijpen en genielen in van hel dichlerlijk werksluk. Wal nu, mel belrekking tot de hymne Saccis sollemniis, hel eersle voorbereidende werk aangaal, hel vaslstellen van de idenlileil van de dichler en hel weervinden van de omslandigheden waaronder.hel gedicht is ontstaan, daarvoor verwijs ik naar wal de ter zake kundige franse Dominicaan P.-H. Gy poneert, dat namelijk het sacramentsofficie, waarvan Saccis sollemniis als hymne der metten deel uitmaakt, hoogstwaarschijnlijk het werk is van Thomas van Aquino, geschreven rond 1264 op aandrang van paus Urbanus IU2 Mijn studie zal zich dus met het authenticileitsprobleem als zodanig niet bezig houden en ook niet met de onduidelijkheden die nog rond het ontstaan zweven, maar zich in eerste instantie wijden aan de andere serie van voorbereidende werkzaamheden, de vaststelling van de tekst en de bestudering van de poëtische vorm. Gedeeltelijk zal dit reeds tot interpretatie van bepaalde passages leiden. Daarnaast en daarna zal ik me, met betrekking tot ook andere plaatsen uit de hymne, aantekeningen en opmerkingen veroorloven die wellicht het begrijpen kunnen vergemakkelijken. Poëtische vorm: prosodie, assonantie en onder klonkspel Ik begin met de poëtische vorm van het gedicht. Reden van deze vooropstelling is de omstandigheid dat voor de andere taak, het vinden van de juiste tekst, bij een bepaalde passage, zoals verderop zal blijken, kennis van een onderdeel van de poëtische vorm, hel assonantieschema, van groot belang is. Allereerst de prosodie van Saceum sollemniis. Oeze is, als bij het overgrote deel van de middeleeuwse latijnse poëzie, ritmisch, niet metrisch, dat wil zeggen zij berust. op de accentuering van de woorden, niet, zoals in de klassieke poëzie, op de lengte van de letlergrepen. H~l is ondertussen wel zo dal bepaalde vormen van ritmische teruggaan op bepaalde vormen van metrische prosodie. In ons geval is het de structuur van de metrische zogenaamde asclepiadeïsche strofe die het ritmische schema van het middeleeuwse gedichlen heeft bepaaldj~ Deze asclepiadeïsche strofe, met name bekene uit Horotius, bestaat uit vier regels, de eersle drie twaalflettergrepig met cesuur (de opeenvolging van lange en korte lettergrepen vertoont het schema --I-vvl-I I-vvl-vl~, de zogenaamde asclepiadeus minoe), de laatste, karle, regel achtlettergrepig zonder cesuur (met als schema --I-vvl-vl~, de zogenaamde glyconeus). In de ritmische omzetting nu telt niet meer het lang of kort van de lettergrepen, maar het vierregelige schema en de aantallen lettergrepen blijven gehandhaafd: de asclepiadeus minor mel zijn cesuur wordt zo een regel van tweemaal zes lettergrepen,de glyconeus wordl er een van acht. Bekend is de volgens dit schema in de negende eeuw, misschien door Hrabanus Maurus, vervaardigde hymne ter ere van de martelaren Sanctorum meritis inclyta gaudia4, waarvan de laatste strofe dezelfde beginregel heeft als de laatste strofe van Saccis sollemniis: te trina deitas unaque poscimus. duidelijke aanwijzing 5 dat rhomas dit Sanctorum meritis als voorbeeld heeft gekozen. Als in Sanctorum meritis vinden we dan ook in Sacris sollemniis als opvolger van de asclepiadeus minor een regel van twee halfverzen met ieder zes lettergrepen (sacris sollemniis I iuncta sint gauaia), als opvolger van de glyconeus een regel van acht lettergrepen (corda voces et opera). Wat nu het accent betreft, in de klassieke asclepiadeus minor is er verschil tussen het halfvers vóór en het halfvers na de cesuur. Het tweede halfvera is in structuur sterk dactylisch: de eerste voet is een dactylus (-vv), de tweede en derde samen nagenoeg ook (-vl~ = -vvl. Omdat nu in het Latijn een drielettergrepig metrisch dactylisch woord (incl~t~; posc~m~s) ook ritmisch, naar het accent dus, dactylisch is (inclyta; p6scimus), lag in de structuuraanpassing van de middeleeuwse ritmiek een dactylisch ritme in het tweede halfvers voor de hand: ágnum et ázyma; unaque p6scimus; iuncta sint gáudia. Aan het begin van het eerste halfvers is, in de klassieke situatie, geen ritmisch dactylisch woord als inclita of p6scimus mogelijk, aangezien de tweede lettergreep lang moet zijn en dit bij een drielettergrepig woord veronderstelt dat die lettergreep ook het accent heeft (laudace = laudáce). Haar ook hier heeft het dactylische ritme de overhand gekregen. Over het geheel genomen, ondanks afwijkingen als cecédant veteca; dedisse fcatcibus; explétis epulis; post ágnum typicum, vertonen de beide halfverzen van een regel, en daarmee het ritme van het hele gedicht, de neiging tot dactylische prosodie: sáccis sollémniis I iuncta sint gáudia. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de glyconeus. In deze regel vertonen de laatste tweemaal drie lettergrepen ook de neiging tot een dactylisch ritme: v6ces et 6peca; sécvus et humilis, enz. sluiten aan op het klassieke metrische schema -vvl-vl~. In het geheel van de hymne is aldus een sterk dactylisch, ritme voelbaar. Nader toezien toont aan dat de situatie in de eerate strofen deze is: i~ de beide vershelften van de drie eerste regels zijn de eerste drie lettergrepen bij vóórkeur, de volgende drie verplicht dactylisch; verplicht dactylisch zijn ook de laatste drie lettergrepen van de vierde regel. Dit betekent dat iedere slrofe zeven verplichte daclylen lelt Als we nu de zes halfverzen van een strofe tot zelfstandige regels maken en als slot de vierde regel van de strofe toevoegen, dan krijgen we volgend schema van zeven steeds dactylisch eindigende regels:. sacrls sollémnlls luncta sint gáudia et ex praec6rdiis sonent praec6nia reced..n t vétera nova sint ómnia cord.. voces et 6pera. Opvallend is dan nu dat inde_einddactylen steeds klankovereenkomsten optreden: geen volledig de drie lettergrepen omvatlend rijm, maar assonanlie, gelijke klinkerwaarde van de laalsle twee lettergrepen. Het schema is volgens de formule a b abc b c, die terugkeert in alle strofen. Het feit dat de eerste, beklemtoonde, lettergreep van de dactylen niet als rijmdrager meetelt, vermindert voor ons het klankeffect. Voor de middeleeuwer gold dit wellicht in mindere mate: zijn oudchristelijke voorbeelden (bijvoorbeeld Sedulius' hymne A solis ortus cadine) leren hem vormen van assonantie die het door accent gedragen volle rijm nog niet kennen. Dit volle rijm is in de middeleeuwen overigens wel bekend, met name bij trocheïsche woordeinden, die de klemtoon op de voorlaatste lettergreep hebben. Zo in die andere hymne van het sacramentsofficie: pange lingua glori6sa / corporis mysterium, / sanguinisque preti6si / quem in mundi pretium, / fructus ventris gener6si / rex effudit gentium, en bovenal in de sequentie Lauda Sion, waarvsn bijvoorbeeld de laatste dubbelstrofe luidt: Bone pastor, panis vére, / Iesu, nostri miser é re, / to nos pasce, nos tuére; / tu nos bona fac vidére / in terr.. viventium. // Tu qui cuncta scis et vá1es, qui nos pascis hic mortá1es. / tuos i b i commensáles, / coheredes et sodá1es / fac sanctorum civium.overigens ook deze liederen kennen het zwakke rijm van de dactylische woordeinden sis in Sacrum sollemniis: in pange lingua is er de echo (mysterjium - (pretjium - (gentjium; in Lauda Sion assoneren (viventjium en (civjium. Het klankspel in onze hymne dient niet alleen ter kleuring van de ritmische belangrij'ke halfvers- en regeleinden. Ov'eral in de tekst zijn klankeffecten waarneembaar: zo alliteratie(sacris sollemnils; pcaecordiis... praeconia; noctis novissima; fragi1ibus fercu1um, enz), in de vierd~ strofe samengaand met anafora (de- dit... dedit... dicens; verder ook binnenrijm (agnum typicum; expletis epulis; dominicum datum,... totum... totum, enz.). We hebben hier le maken mel technieken afkomstig uit een ver verleden. Veelouder dan regeleindassonantie en regeleindrijm, die zith pas in de late oudheid en de vroege middeleeuwen een plaats veroveren, zijn zij verworvenheden die in ononderbroken lijn teruggaan op de vroegste periode van de latijnse poëzie, toen Ennius en andere pioniers wat in de volksmond leefde opnamen in het nieuwe poëtische srsenaal. Vaststelling van de juiste tekst Ik keer nog een ogenblik terug tot het assonantieschema, omdat een beroep hierop van dienst kan zijn bij het oplossen van een tekstkrilisch probleem. Als we de laatste lettergreep van de assonerende verseinden bezien, dan constaleren we volstrekte identjteil: in strofe één -is, -a en r a, in strofe twee -tuc, -ma en b us, enz. In de laatste strofe springt de tweede regel, hel derde halfvers, zoals gepresenteerd in de vertrouwde tekstvorm: sic nos tu visita, uit het schema: niet visita, maar visitas valt na deitas van de eerste regel le verwachten. Oe gangbare tekstvorm is die van de editio comana van Thomas' werken, uitgekomen in 1570: zij is overgenomen door alle latere grole Thomas-uilgaven: Parma, Mandonnet, Marietti, Busa6.Nu beschikken wij in de teksl van het Parijse handschrift Bibliothèque Nationale lat vermoedelijk over de authenlieke door Thomas samengestelde lekst van het sacramentsofficie, zoals deze door paus Urbanus IV in 1264 tegelijk met de bulle icansitucus, die hel feest van sacramentsdag verplicht stelde, is gepubliceerd. Met de lezing van dit koslbare handschrift is de lezing van de editio comana in alles idenliek, behalve juist in de problematische regel van de laatste slrofe, waar hel handschrift leest: sicut nos visitas7 Merkwaardig is overigens dat er mel belrekking lot dit halfvers in de oude hands~hriflen de grootsle verwarring heerst, helgeen enigszins begrijpelijk maakl dal de verder goede lekst van de editio comana op dit punt le kort schiet. Een beeld van die v'erwarring verschaffen ons de mededelingen over handschriftgegevens van Rolh, Chevalier en Dreves, die naast sic nos tu visita en sicut nos visitas (dil de eigen goed getroffen ke van Chevalier) als varianten nog vermalden8: sic tu nos visita . (door Dreves als juiste lezing aanvaard), sic nos tu visitas, sic tu nos visitas, sic nosque visitas, sic tu nos visites, sic nos tu visites, sicut nos visites. Het lijdt geen twijfel dat visitas van het Parijse handschrift juisl is. Het assonantieschema vraaglom die vorm én hel hand. schrift is van de hoogsle kwaliteit. We winnen er bovendien een fraaie, harmonische versregel mee. De ontsporing, die, gezien het grole aanlal en de brede verspreiding van de varianlen, vroeg moet hebben plaats gevonden, zou veroorzaakt kunnen zijn door de paleografisch licht begrijpelijke uitval van de leller s in de opeenvolging (visita)s s(icut), die een aantrekkelijke parallellie deed ontstaan met de verder volgende gebiedende wijs duc: omzetting van sicut in het paleografisch nabije sic tu was dan geboden. Spijtig is het dat de aldus ontslane variant door de editio eomana gemeengoed is geworden. Wat de belekenis van de regel in discussie aangaat, die zal, met sicut nos visitas, sicut te colimus als juiste tekslvorm, in causale richling gaan, helgeen bij sicut allerminst ongewoon is: wij vragen U, a God - wanl Gij komt mel Uw genade lol ana en wij komen met onze verering tot U - voer ons over uw paden de omslreden regel moet begrepen worden als een rechlvaardiging en versterking van de bede vervat in de twee laalste regels. Een radicale wijziging van onze passage, mel herinvoering overigens van visitas, had de Engelse medievist St. Gaselee voorgesteld9: hij wil lezen, met verwisseling van regel: Sic tu nos visitas sicut te colimus: te, teina äei tas una que, p osci m us, pee tuas semitas dus nos Het behoeft geen beloog dat de ingreep veel te fors is: hij strijdt met de gegevens van de Ilele tek'sttradit'i-e, en klapt ook niet mel wat we lezen in Sanctoeum meeitis, het model van onze hymne (zie boven): daar is Te, teina deitas unaque, poscimus de doxologische beginregel van de laatste strofe. Slylistisch gezien spreekt het ook vanzelf dat te, sls nadrukkelijk zich richten tot de godheid, de eerste pissts krijgt in het gebed waarmee de hymne sluit. In de verschillende uitgaven van onze hymne vindt men nog een
Similar documents
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks