Please download to get full document.

View again

of 34
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Inwerktijdstip winterharde vanggewassen voor maïs

Category:

Business

Publish on:

Views: 90 | Pages: 34

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Inwerktijdstip winterharde vanggewassen voor maïs Verslag van een veldproef in op zandgrond Willem van Geel, Harry Verstegen en John Verhoeven Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van
Transcript
Inwerktijdstip winterharde vanggewassen voor maïs Verslag van een veldproef in op zandgrond Willem van Geel, Harry Verstegen en John Verhoeven Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR Business Unit Akkerbouw, Groene Ruimte en Vollegrondsgroenten PPO nr. 456 Januari 2012 2012 Wageningen, Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) onderzoeksinstituut Praktijkonderzoek Plant & Omgeving. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van DLO. Voor nadere informatie gelieve contact op te nemen met: DLO in het bijzonder onderzoeksinstituut Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Akkerbouw, Groene Ruimte en Vollegrondgroenten. DLO is niet aansprakelijk voor eventuele schadelijke gevolgen die kunnen ontstaan bij gebruik van gegevens uit deze uitgave. PPO Publicatienr. 456 Uitgevoerd in opdracht en met financiering van: Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie Postbus EK Den Haag Projectnummer: Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, onderdeel van Wageningen UR Business Unit Akkerbouw, Groene Ruimte en Vollegrondgroenten Adres : Edelhertweg 1, Lelystad : Postbus 430, 8200 AK Lelystad Tel. : Fax : E mail : Internet : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 2 Inhoudsopgave pagina SAMENVATTING INLEIDING Kennisbehoefte/kennisvraag Doel van het onderzoek PROEFOPZET EN UITVOERING Proefopzet Teelt en proefuitvoering RESULTATEN Weersgegevens Groeiverloop winterrogge Nmin bodem in het najaar en het voorjaar Gewasbeoordeling snijmaïs Nmin bodem medio juni Opbrengst en N opname snijmaïs Nmin bodem bij oogst Schatting van de stikstofwerking DISCUSSIE EN CONCLUSIES REFERENTIES BIJLAGE 1. PROEFVELDSCHEMA BIJLAGE 2. WEERSGEGEVENS VREDEPEEL Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 3 Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 4 Samenvatting Het telen van een onbemeste groenbemester als stikstofvanggewas na de hoofdteelt, is een na oogst maatregel die de nitraatuitspoeling kan verminderen. Het vanggewas neemt de reststikstof op uit de bodem, die is achtergelaten door het hoofdgewas en de stikstof die in de nazomer en herfst mineraliseert. In geval van een winterhard vanggewas (zoals winterrogge en raaigras) wordt de stikstof over de winter heen getild en zo behoed voor uitspoeling en denitrificatie. De opgenomen stikstof komt weer vrij door mineralisatie, nadat het vanggewas is ingewerkt. Uit verleden onderzoek op proefbedrijf Heino bleek dat een winterhard vanggewas na snijmaïs de nitraatuitspoeling met 50 60% verminderde. Belangrijke factoren die de effectiviteit van het vanggewas bepalen, zijn een voldoende ontwikkeling in de nazomer/herfst om de minerale stikstof in de bodem te kunnen vastleggen en een goede benutting van de door het vanggewas opgenomen stikstof door het volggewas. Bij het laatste heeft naast winterhardheid het inwerktijdstip in het voorjaar invloed op het vrijkomen van de stikstof uit het ingewerkte vanggewas. Onderzoeksvraag is hoe het inwerktijdstip zo kan worden gekozen dat het vrijkomen van stikstof uit het ingewerkte vanggewas in de tijd zo goed mogelijk aansluit bij het stikstofopnamepatroon van het volggewas om een zo hoog mogelijke benutting door het volggewas te realiseren. Daartoe is in 2010 een literatuur studie uitgevoerd. Het algemeen beeld dat uit de literatuur naar voren kwam, is dat het winterharde stikstofvanggewas het beste vroeg in het voorjaar kan worden ingewerkt, liefst voordat er hergroei en stikstofopname optreedt. Het precieze, optimale inwerkmoment hangt (naast de weersinvloed) verder af van de C/N verhouding van het vanggewas. Bij een lage C/N verhouding komt de stikstof na inwerken sneller vrij dan bij een hoge C/N verhouding. De veronderstelling is dat dan beter iets later kan worden ingewerkt om het risico van N verlies voordat het volggewas het kan opnemen, te minimaliseren. Bij hoge C/N verhouding komt de stikstof langzamer vrij en kan wellicht beter wat eerder worden ingewerkt om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk stikstof vrijkomt die nog door het volggewas maïs kan worden benut. Om deze veronderstelling te toetsen, is in een veldproef uitgevoerd op zuidoostelijk zandgrond met als doel de relatie tussen optimaal inwerktijdstip in het voorjaar en C/N verhouding nader te onderzoeken en om na te gaan of de C/N verhouding zou kunnen worden gerelateerd aan uiterlijke kenmerken van het vanggewas. Als zo n relatie er is, zou op basis van visuele kenmerken van het vanggewas kunnen worden geschat of de C/N verhouding hoog of laag is. Als winterhard vanggewas is in deze proef gekozen voor winterrogge. Getracht is een verschil in C/N verhouding te creëren door de winterrogge in de herfst op te laten groeien bij een lagere en hogere stikstofvoorraad in de bodem. De proef is aangelegd na een graanteelt om verzekerd te zijn van een stikstofarme uitgangssituatie. Het graan liet 25 kg N per ha in de bodemlaag 0 60 cm, waarvan 6 kg N per ha in de laag 0 30 cm. Voor het lage N niveau in de bodem is 27 kg N per ha gestrooid en voor het hoge niveau 68 kg N per ha. De winterrogge is op 13 september 2010 gezaaid. Elk N niveau is gecombineerd met drie inwerktijdstippen in het voorjaar: 8 februari (T1), 21 maart (T2) en 11 april (T3). Voor het bepalen van de stikstofwerking van de winterrogge in de volgteelt maïs is als referentie een braakobject opgenomen (geen groenbemester in de herfst en geen N gift). Bij dat braakobject zijn in de maïs vier stikstoftrappen plus een nulobject aangelegd om een stikstofresponscurve op te kunnen stellen. De N nawerking van de verschillende groenbemesterobjecten is afgeleid door de opbrengst en N opname van de maïs bij deze objecten te spiegelen aan de responscurve. Ook is nagegaan of het inwerken van een vanggewas andere effecten heeft op de groei en opbrengst van de maïs dan alleen een stikstofeffect. De winterrogge die werd geteeld bij het hoge N niveau werd langer, had een vollere gewasstand, meer bodembedekking en was donkerder van kleur dan die bij het lage N niveau. Ook was er bij het hoge N niveau meer bovengrondse gewasmassa geproduceerd en was de N opname hoger. De C/N verhouding was bij beide N niveaus echter gelijk en vertoonde dus geen relatie met de uiterlijke gewaskenmerken. De verschillen in bovengrondse gewasmassa en N inhoud waren na de winter, op de momenten van inwerken, nog steeds aanwezig. De C/N verhouding bleef op elk inwerkmoment gelijk. Enkel nam de C/N Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 5 verhouding toe naarmate op een later tijdstip werd ingewerkt. Tussen 21 maart en 11 april trad hergroei op van de winterrogge en extra N opname. Omdat het aanbrengen van de twee verschillende N niveaus in het najaar bij de winterrogge niet leidde tot een gewenst verschil in C/N verhouding op elk inwerkmoment, kan de vraag in hoeverre de C/N verhouding het optimale inwerktijdstip beïnvloedt, niet worden beantwoord. Vroeg inwerken van de winterrogge (T1 en T2) leidde ten opzichte van het braakobject tot een gemiddeld 6 kg per ha hogere Nmin in de laag 0 30 cm vóór zaai van de maïs en laat inwerken (T3) tot een gemiddeld 4 kg per ha lagere Nmin. Er was in de maïs sprake van een duidelijke stikstofwerking uit de ingewerkte winterrogge. De N werking in kg N per ha was bij de winterrogge geteeld bij het hoge N niveau, hoger dan bij de winterrogge geteeld bij het lage N niveau, naar rato van de N opname in de bovengrondse delen. Relatief (als percentage van de N opname in de bovengrondse delen) was de N werking zo goed als gelijk. Inwerken op T1 en T2 gaf de hoogste N werking: gemiddeld zo n 75% van de N opname in de bovengrondse delen op het moment van inwerken. Er was geen wezenlijk verschil tussen inwerken op T1 of T2. Inwerken op T3 leidde tot een lagere N werking: ca. 35%. Het late inwerktijdstip in combinatie met de hoge C/N verhouding leidde er toe dat de stikstof uit de rogge bij T3 later en langzamer vrijkwam. Daar komt nog bij dat laat inwerken van de rogge geteeld bij het hoge N niveau de gewasgroei en productie nadelig beïnvloedde door een andere oorzaak dan stikstof. Vermoedelijk door meer vochtonttrekking aan de bodem na de winter door de hergroei van de rogge, waardoor er minder vocht beschikbaar was voor de maïs, in combinatie met het droge voorjaar. Het resultaat van de proef bevestigt de bevindingen van de literatuurstudie: een winterhard stikstofvang gewas kan het beste vroeg in het voorjaar worden ingewerkt, voordat er hergroei en stikstofopname optreedt. Bij hoge temperaturen aan het einde van de winter en het begin van het voorjaar zal die hergroei eerder optreden dan bij lage temperatuur. De teler moet dit dus goed in de gaten houden (letten op het vanggewas en de weersomstandigheden). Bij inwerken in de periode tussen begin februari en begin hergroei lijkt het niet zo heel veel uit te maken voor de stikstofopname van het volggewas maïs of het vanggewas een paar weken vroeger of later wordt ingewerkt. Wat later inwerken in deze periode (in maart) zou dan de voorkeur hebben, omdat bij begin februari inwerken er in een nat voorjaar wat meer N verlies kan optreden. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 6 1 Inleiding 1.1 Kennisbehoefte/kennisvraag In het Vierde Actieprogramma van de Nitraatrichtlijn wordt onder andere ingezet op innovaties om op melkveehouderij en akker en tuinbouwbedrijven de stikstofverliezen verder te verminderen. De stikstof benutting van gewassen kan worden verbeterd door maatregelen voorafgaand en tijdens de teelt (onder andere bemestingsmaatregelen) en na oogstmaatregelen. Eén van de na oogstmaatregelen is het telen van een onbemeste groenbemester als stikstofvanggewas na de hoofdteelt, welke de reststikstof in de bodem opneemt die is achtergelaten door het hoofdgewas en de stikstof die in de nazomer en herfst mineraliseert. In geval van een winterhard vanggewas wordt de stikstof over de winter heen getild en zo behoed voor uitspoeling en denitrificatie. De opgenomen stikstof komt weer vrij door mineralisatie, nadat het vanggewas is ingewerkt. Uit verleden onderzoek op proefbedrijf Heino bleek dat een winterhard vanggewas na snijmaïs de nitraatuitspoeling met 50 60% verminderde (Van Dijk et al., 1995). Belangrijke factoren die de effectiviteit van het vanggewas bepalen, zijn een voldoende gewasontwikkeling en opname van de reststikstof in de nazomer/herfst en een goede benutting van de door het vanggewas opgenomen stikstof door het volggewas. Bij het laatste speelt naast winterhardheid ook het management in het voorjaar een rol, waaronder het inwerktijdstip. Belangrijke vraag is hoe door een juist management van het vanggewas, een zo hoog mogelijke benutting van vrijkomende stikstof door het volggewas kan worden gerealiseerd. Het inwerktijdstip bepaalt het vrijkomen van stikstof uit het vanggewas in de tijd en dient zo veel mogelijk aan te sluiten bij het opnamepatroon van het volggewas. 1.2 Doel van het onderzoek Doel van het project is na te gaan hoe door een juist management in het voorjaar de benutting van de door het vanggewas opgenomen stikstof door het volggewas kan worden verhoogd. De focus ligt bij wintervaste vanggewassen, zoals winterrogge en raaigrassen. Als volggewas in het onderzoek is gekozen voor snijmaïs. Dit gewas wordt relatief laat gezaaid, waardoor er een groter tijdsvenster is om te variëren in inwerktijdstip. Het onderzoek richt zich op zandgrond, aangezien hier nog een grote inspanning nodig is om aan de nitraatrichtlijn te voldoen. In 2010 is een deskstudie uitgevoerd naar de invloed van het inwerktijdstip van vanggewassen in het voorjaar op de benutting van de stikstof die uit het vanggewas vrijkomt, door het volggewas en naar de wijze van inwerken en problemen die daarbij in de praktijk optreden (van Geel et al., 2010). De resultaten van de deskstudie dienden als basis voor een in de nazomer van 2010 aan te leggen veldproef op zandgrond die doorliep in Het algemeen beeld dat uit de literatuur naar voren komt, is dat het winterharde stikstofvanggewas het beste vroeg in het voorjaar kan worden ingewerkt, voordat er hergroei optreedt. Een vanggewas dat gaat hergroeien, neemt vocht en stikstof op uit de bodem, ten koste van de volgteelt. Voorts komt de stikstof uit een laat ingewerkt vanggewas later in het groeiseizoen en langzamer beschikbaar. Het precieze, optimale inwerkmoment hangt verder af van de neerslagsituatie en stikstofverliezen in de periode einde winter voorjaar en van de C/N verhouding van het vanggewas. Bij vroeg inwerken (eind van de winter) komt al een substantieel van de stikstof vroeg beschikbaar, maar kan ook meer verlies optreden door uitspoeling en denitrificatie (in een nat voorjaar). Bij een lage C/N verhouding (hoog N gehalte in de droge stof) mineraliseert de stikstof na inwerken sneller dan bij een hoge C/N verhouding (laag N gehalte in de droge stof) en ligt het optimale inwerktijdstip waarschijnlijk later. De hypothese die voor het huidige praktijkadvies wordt gebruikt, is dat een vanggewas met een C/N verhouding 15 niet voor medio maart ingewerkt moet worden om verlies door te snelle stikstofmineralisatie te voorkomen en dat een vanggewas met een C/N verhouding 25 niet na eind februari Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 7 moet worden ingewerkt om te voorkomen dat er te veel stikstof vrijkomt na de opnameperiode van maïs. Om deze hypothese te toetsen, is een veldproef aangelegd met als doel de interactie tussen inwerktijdstip in het voorjaar van een winterhard vanggewas en C/N verhouding nader te onderzoeken en na te gaan hoe sterk die interactie is en of de C/N verhouding zou kunnen worden gerelateerd aan uiterlijke kenmerken van het vanggewas. Als zo n relatie er is, zou op basis van visuele kenmerken van het vanggewas kunnen worden geschat of de C/N verhouding hoog of laag is. In hoofdstuk 2 van dit verslag wordt de opzet en uitvoering van de veldproef beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten weergeven en in hoofdstuk 4 worden deze bediscussieerd. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 8 2 Proefopzet en uitvoering 2.1 Proefopzet Als winterhard vanggewas is gekozen voor winterrogge, een gangbaar groenbemestingsgewas dat geschikt is voor late zaai. In deze proef is ervoor gekozen om de winterrogge relatief vroeg te zaaien (begin september). Daarmee werd beoogd een voldoende goede gewasontwikkeling en stikstofopname in het najaar te realiseren om verschillen in stikstofnawerking in de volgteelt als gevolg van C/N verhouding en inwerktijdstip goed te kunnen onderscheiden. Bij een geringe gewasontwikkeling en lage N opname zijn dergelijk verschillen klein en moeilijk van elkaar te onderscheiden door de storende invloed van de veldvariatie. Getracht is een verschil in C/N verhouding (c.q. N gehalte in de gewasdroge stof) te creëren door de winterrogge in de herfst op te laten groeien onder stikstofarme en onder stikstofrijke omstandigheden. De verwachting was dat stikstofarme omstandigheden zouden leiden tot een lager N gehalte in de plantdroge stof en daardoor tot een hogere C/N verhouding. Om een goed beeld te verkrijgen van de interactie met inwerktijdstip na de winter, mogen de inwerktijd stippen niet te dicht bij elkaar liggen, omdat de verschillen anders mogelijk te klein zijn en niet goed van elkaar te onderscheiden. Daarom is gekozen voor de tijdstippen: begin februari, half maart en half april. Voor het bepalen van de stikstofwerking in de volgteelt maïs is als referentie een braakobject opgenomen (geen groenbemester in de herfst). Bij dat braakobject zijn in de volgteelt maïs vier stikstoftrappen plus een nulobject aangelegd om een stikstofresponscurve op te kunnen stellen. De N werking van de verschillende groenbemesterobjecten kan dan worden afgeleid door de opbrengst en opname van de maïs bij deze objecten te spiegelen aan de responscurve. Voor de afleiding van de N werking bij de verschillende vanggewasobjecten is aan de snijmaïs geen extra stikstof gegeven. Het mag niet worden uitgesloten dan het vanggewas, met name bij laat inwerken, ook een nadelige invloed heeft op de gewasgroei van de volgteelt. Een vanggewas dat lang blijft staan en gaat hergroeien, onttrekt vocht en stikstof aan de bodem, waardoor er minder beschikbaar is voor de volgteelt. Verder kunnen de gewasresten hinder geven bij de zaaibedbereiding en het zaaien van de maïs. Om na te gaan of er in de proef sprake is van andere effecten van het vanggewas op de groei en opbrengst van de maïs dan een stikstofeffect, is bij de verschillende vanggewasobjecten ook een extra hoge N gift aan de maïs gegeven. Hierbij is de N voorziening voldoende hoog om de maximale opbrengst te bereiken en heeft de extra N werking uit het vanggewas niet of nauwelijks nog invloed op de opbrengst. In tabel 1 is een schematisch overzicht gegeven van de proefobjecten. De proef is aangelegd als een splitsplit plotproef in vier herhalingen. Hoofdplots zijn wel of geen inzaai van winterrogge. Binnen het hoofdplot winterrogge zijn de proeffactoren stikstofniveau herfst en inwerktijdstip voorjaar geward. Binnen elk plot met een combinatie van stikstofniveau herfst inwerktijdstip voorjaar zijn de nulgift en de hoge N gift aan de maïs verloot. Binnen het hoofdplot braak zijn alleen de N trappen in de maïs geward. Het proefveldschema is weergegeven in bijlage 1. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 9 Tabel 1. Overzicht proefobjecten inwerktijdstip vanggewassen voor de teelt van snijmaïs Vanggewas N aanbod in de herfst Inwerktijdstip voorjaar 2011 N trappen in de snijmaïs in 2011 Geen (braak) n.v.t. n.v.t. N0 = 0 kg N/ha N1 = 50 kg N/ha N2 = 100 kg N/ha N3 = 150 kg N/ha N4 = 200 kg N/ha Winterrogge Laag (LN) T1 = begin feb N0 N4 T2 = half maart T3 = half april N0 N4 N0 N4 Hoog (HN) T1 = begin feb N0 N4 T2 = half maart T3 = half april N0 N4 N0 N4 2.2 Teelt en proefuitvoering De proef is aangelegd op een zuidoostelijke zandgrond nabij PPO proefbedrijf Vredepeel. In tabel 2 zijn de bodemvruchtbaarheidsgegevens van het proefperceel vermeld. In tabel 3 zijn de gegevens van de uitvoering van de proef en de teelt opgenomen. De verzorging van het gewas vond plaats conform praktijk. Tabel 2. Bodemvruchtbaarheidsgegevens van het proefperceel (januari 2009) Parameter Eenheid Analyse Waardering resultaat Organische stof % 3,9 ph KCl 5,5 Pw mg P 2 O 5 /l 43 ruim voldoende K getal 31 hoog Magnesium mg MgO/kg 169 ruim voldoende Borium mg B/kg 0 zeer laag Om verzekerd te zijn van een niet te N rijke uitgangssituatie, is ervoor gekozen de proef aan te leggen na een graanteelt. Graan laat weinig stikstof na in de bodem en bovendien legt de verterende graanstoppel nog enige stikstof vast in de herfst. Na de graanoogst is de Nmin voorraad op het proefveld gemeten per herhaling. Die voorraad bedroeg gemiddeld 25 kg N per ha in de bodemlaag 0 60 cm, waarvan 6 kg N per ha in de laag 0 30 cm. De Nmin cijfers per herhaling en bodemlaag zijn weergegeven in bijlage 1. Door middel van een volvelds gift met KAS zijn twee N niveaus gecreëerd voor de winterrogge: laag N niveau (LN): een N gift van 27 kg N per ha (totaal 33 kg Nmin in de laag 0 30 cm respectievelijk 52 kg Nmin per ha in de laag 0 60 cm); hoog N niveau (HN): een N gift van 68 kg N per ha (totaal 74 kg Nmin in de laag 0 30 cm respectievelijk 93 kg Nmin per ha in de laag 0 60 cm). In de herfst is de gewasontwikkeling van de winterrogge meermalen visueel beoordeeld. Ook is de gewaslengte gemeten. Eind november is de bovengrondse gewasproductie van de winterrogge vastgesteld. Hiertoe is bij elk N niveau (HN/LN) 2 m 2 per herhaling met de hand geoogst door de planten bij de grond af Praktijkonderzoek Plant & Omgeving 10 te snijden. Per herhaling en object zijn vervolgens monsters uitgenomen voor gewasanalyse. Na de opbrengstbepaling is per object per herhaling (inclusief braak ) de hoeveelheid rest Nmin in de bodem vastgesteld in de
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks