Please download to get full document.

View again

of 19
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

2 Analyse integratie vergunninghouders in Nederland

Category:

Slides

Publish on:

Views: 74 | Pages: 19

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
2 Analyse integratie vergunninghouders in Nederland De analyse in dit hoofdstuk biedt op basis van de beschikbare gegevens inzicht in de samenstelling van de groep vergunninghouders in Nederland, de kansen
Transcript
2 Analyse integratie vergunninghouders in Nederland De analyse in dit hoofdstuk biedt op basis van de beschikbare gegevens inzicht in de samenstelling van de groep vergunninghouders in Nederland, de kansen op de arbeidsmarkt en de potentie voor (arbeids-)participatie in de komende jaren. Dit hoofdstuk gaat ten eerste in op de aantallen en verblijfsduur van recent ingestroomde vergunninghouders in Nederland. Ten tweede worden enkele persoonskenmerken van deze nieuwkomers beschreven, zoals de leeftijd, het geslacht en de herkomstlanden. Aansluitend staat de maatschappelijke positie van vergunninghouders in Nederland centraal. Hierin wordt ingegaan op de netto participatie, de arbeidsmarktpositie, de werkloosheid en de afhankelijkheid van uitkeringen. Tot slot bevat dit hoofdstuk een overzicht van een aantal economische en arbeidsmarkteffecten, waarbij specifiek wordt ingegaan op de gevolgen van de recente toestroom van vergunninghouders voor het bbp, de werkgelegenheid in Nederland en het risico van verdringing. 2.1 Aantallen en verblijfsduur Vooral in 2015 is sprake van een groot aantal asielzoekers en nareizigers. Figuur 2.1 toont het overzicht van de instroomcijfers tussen 1985 en 2016 (2016, tot en met november). Figuur 2.1 Asielzoekers en nareizigers (2016, t/m november) 27 In 2015 hebben in Nederland vluchtelingen een asielaanvraag gedaan. De verwachting is dat 70 procent van deze asielzoekers een verblijfsvergunning krijgt en wordt erkend als vergunninghouder (zie tabel 2.1). Het aantal asielzoekers van wie in 2015 de asielaanvraag is goedgekeurd vormt daarmee in dit jaar 0,2 procent van de Nederlandse bevolking. Niet op elke aanvraag wordt in het jaar van aanvraag beslist. Eind 2015 waren er volgens VluchtelingenWerk in Nederland vergunninghouders. Ruim vluchtelingen waren op dat moment nog in afwachting van een beslissing op hun asielverzoek. 1 Overigens is het aantal asielaanvragen in 2016 sterk afgenomen. In de eerste acht maanden van 2016 kwamen er ruim asielzoekers en nareizigers naar Nederland. Eind november 2016 verbleven er bijna vluchtelingen in de centrale opvanglocaties. Iets minder dan de helft ( personen) daarvan is vergunninghouder. Deze groep heeft al wel een tijdelijke verblijfsvergunning, maar wacht nog op geschikte huisvesting in een gemeente. Tabel 2.1 Aantal asielaanvragen en ingewilligde verzoeken in 2014 en Asielaanvragen Inwilligingen (%) 65% 70% Inwilligingen (aantal) Als % totale bevolking 0,1% 0,2% Bron: IND Jaarresultaten 2015 en CBS Statline Binnen Europa is Nederland niet het enige land dat de afgelopen jaren te maken heeft met nieuwe asielaanvragen. Tabel 2.2 laat zien dat landen als Zweden, Hongarije, Oostenrijk en Finland in 2015 per inwoner veel meer asielaanvragen hebben gekregen dan Nederland. Nederland staat op de tiende plaats in Europa wat de opvang van asielzoekers (in aantal per duizend inwoners) betreft. In absolute aantallen heeft Duitsland de meeste asielaanvragen gekregen. Nederland registreerde 2,5 eerste asielverzoeken per duizend inwoners in Dat is gelijk aan het gemiddelde in de Europese Unie. In totaal werden in de jaar in de EU 1,26 miljoen asielverzoeken ingediend. Ruim de helft van deze asielzoekers was afkomstig uit Syrië, Afghanistan of Irak. Van de EU-landen ontving Hongarije in 2015 met bijna 18 asielzoekers per duizend inwoners het hoogste aantal eerste asielverzoeken. Ook Zweden en Oostenrijk registreerden naar verhouding veel asielver- 1 VluchtelingenWerk Nederland (2016) Vergunninghouders in getallen zoeken. Het aantal asielzoekers in verhouding tot de bevolking was laag in de Oost-Europese landen, evenals in Spanje en Portugal. 2 Tabel 2.2 Eerste asielaanvragen in Europese Unie 2015 (aantallen) Land Aantal Aantal per inwoners Hongarije ,6 Zweden ,1 Oostenrijk ,9 Finland ,8 Duitsland ,4 Luxemburg ,9 Denemarken ,7 België ,5 Malta ,3 Nederland ,5 Europese Unie ,5 Bron: IND (2016) Asylum Trends op basis van Eurostat, Vluchtelingen komen naar Nederland vanwege de politieke of de mensenrechtensituatie in het herkomstland. Het is daarom voor deze migranten vaak niet mogelijk om snel weer naar hun thuisland terug te keren. Uit CBS-cijfers blijkt dat van de groep vluchtelingen die in 2003 in Nederland zijn gekomen, het merendeel na tien jaar nog in Nederland woont. Dit geldt bijvoorbeeld voor de groep Irakezen, Afghanen en Iraniërs. Alleen van de groep Somaliërs is binnen tien jaren ruim tweederde weer uit Nederland vertrokken Achtergrond van de vluchtelingen: leeftijd, geslacht en herkomst Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft cijfers over de leeftijdsverdeling van Syriërs, de grootste groep vergunninghouders, en andere migrantengroepen die in 2014 en 2015 zijn ingeschreven (zie figuur 2.2). Hieruit wordt duidelijk dat de gemiddelde leeftijd van deze groep in vergelijking met andere migrantengroepen laag is. Een derde van deze vergunninghouders is jonger dan 18 jaar. Ook wordt duidelijk dat er maar heel weinig ouderen uit Syrië naar Nederland vluchten. Slechts drie procent is ouder dan zestig jaar. Een groot deel van de Syrische vergunning- 2 Eurostat (2016) Asylum and first time asylum applicants by citizenship, age and sex Annual aggregated data. 3 CBS (2015) Meeste immigranten binnen tien jaar weer weg. 29 houders behoort daarmee tot de potentiële beroepsbevolking. Deze cijfers komen overigens overeen met hetgeen we weten over de leeftijdsverdeling van vergunninghouders die al langer in Nederland verblijven. De gemiddelde leeftijd van vier getalsmatig grote vluchtelingengroepen in Nederland te weten: Afghanen, Iraniërs, Irakezen en Somaliërs was in 2010 nog geen dertig jaar. Voor alle autochtone Nederlanders was dat destijds bijna 40 jaar. 4 Op grond van cijfers over asielzoekers en hun nareizigers weten we dat in 2015 een ruime meerderheid tot de mannelijke bevolking gerekend moet worden. Dit gold in dat jaar voor ongeveer tweederde van alle vluchtelingen. 5 Deze verdeling is nog schever dan blijkt uit eerdere cijfers. In 2010 bleek dat ongeveer 55 procent van de vier grootste vluchtelingengroepen man was. Vooral onder de Somalische vergunninghouders is het aandeel mannen hoog. 6 In veel van de herkomstlanden ligt de arbeidsparticipatie van mannen substantieel hoger dan die van vrouwen. Figuur 2.2 Leeftijdsverdeling van in 2014 en 2015 ingeschreven immigranten, 1 januari 2016 Bron: CBS, Groeiend aantal Syriërs ingeschreven bij gemeenten, SCP (2011) Vluchtelingengroepen in Nederland. Over de integratie van Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten. 5 CBS (2015) Vooral mannen vragen asiel aan, vrouwen en kinderen reizen na. Deze cijfers over asielzoekers en nareizigers zijn afkomstig van het IND en bewerkt door het CBS. 6 SCP (2011) Vluchtelingengroepen in Nederland. Over de integratie van Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten. 30 In 2015 kwam (met bijna 19 duizend eerste aanvragen) 43 procent van de asielzoekers en bijna tweederde van de nareizende familieleden uit Syrië. Eritrea was in 2015 een ander belangrijk herkomstland, met ruim 7 duizend asielzoekers. Het relatief hoge aantal Syriërs blijkt ook uit de cijfers over personen in de centrale opvang in Nederland (zie tabel 2.3). In maart 2016 woonden er ruim asielmigranten in de centrale opvang. Bijna de helft van deze asielmigranten is Syriër. Ruim van deze bewoners hebben al een verblijfsvergunning gekregen. Van de asielzoekers uit Syrië en Eritrea krijgt ongeveer 90 procent een verblijfsvergunning. Van de aanvragen uit Irak en Afghanistan gaat het om ongeveer 50 procent. 7 Tabel 2.3 Personen in opvang, naar nationaliteit, maart 2016 Land van herkomst Aantal Percentage Syrië % Irak % Eritrea % Afghanistan % Ethiopië % Overig % Totaal % Bron: COA (2016) cijfers en jaarverslagen. 2.3 Achtergrondkenmerken recente vluchtelingengroepen Het arbeidsmarktperspectief wordt in belangrijke mate bepaald door verschillende achtergrondkenmerken. In het bijzonder van belang daarbij zijn het opleidingsniveau, de kennis van de Nederlandse taal, het arbeidsverleden van vluchtelingen, als ook hun mentale en fysiek gezondheid. Deze factoren vormen een vast onderdeel in verklarende analyses ten aanzien van migranten op de Nederlandse arbeidsmarkt. 8 7 VluchtelingenWerk Nederland (2016) Vergunninghouders in getallen. 8 Het Sociaal en Cultureel Planbureau voert met grote regelmaat analyses uit ter verklaring van de arbeidsmarktpositie van migranten in Nederland. In deze analyses wordt in de regel gekeken naar etnische herkomst, leeftijd, opleiding, taal, sociale contacten, verblijfsduur en gezondheid. 31 2.3.1 Opleiding Ten aanzien van het opleidingsniveau van recent ingestroomde vergunninghouders doen uiteenlopende beelden de ronde; vergunninghouders zouden zowel hoogopgeleid en snel inzetbaar zijn als laagopgeleid of slechts geschoold in vakken en richtingen waar op de Nederlandse arbeidsmarkt nauwelijks vraag naar is. Feit is dat we weinig weten over het opleidingsniveau van de meest recente vluchtelingengroepen in dit land. In het World Development Report van de Verenigde Naties (VN) wordt per land het gemiddeld aantal opleidingsjaren aangegeven. Met betrekking tot de getalsmatig belangrijkste herkomstlanden van vergunninghouders in Nederland komen we uit op 12,3 jaren onderwijs voor Syrië, 10,1 jaren voor Irak, 9,3 jaren voor Afghanistan en 4,1 jaren voor Eritrea. 9 Ter vergelijking: het gemiddeld aantal verwachte schooljaren per inwoners van Nederland bedraagt bijna 18 jaren. Ten aanzien van de Syrische vergunninghouders is het beeld dus nog het meest positief. Tegelijkertijd geeft de Wereldbank aan dat niet meer dan acht procent van de Syrische beroepsbevolking hoger onderwijs heeft genoten. 10 Een Factsheet van Pharos (2015) stelt in algemene woorden dat hoewel de meeste Syrische vergunninghouders relatief hoog zijn opgeleid, dit zeker niet voor de gehele bevolking van toepassing is. Daarnaast wordt aangegeven dat Syrische diploma s over het algemeen laag worden gewaardeerd binnen het Nederlandse onderwijssysteem. 11 Kennis uit het buitenland levert een soortgelijk beeld op. In een recente Duitse studie wordt aangegeven dat van migranten afkomstig uit oorlogs- en crisislanden in Duitsland minder dan een vijfde een opleiding op een hoger of academisch niveau heeft afgerond. Ruim 40 procent heeft geen opleiding genoten of slechts een opleiding op een lager niveau. 12 Ook in Vlaanderen komt men tot soortgelijke uitkomsten. Uit cijfers van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling blijkt dat ruim de helft van degenen die zich als werkzoekende hebben laten registreren slechts lager onderwijs heeft genoten. Syriërs doen het in dit verband nog het beste: van deze vergunninghouders heeft bijna vijftig procent maximaal lager onderwijs gevolgd, terwijl ruim 20 procent hoger onderwijs heeft genoten De gegevens zijn onderdeel van de Human Development Indicators en drukken het aantal verwachte schooljaren bij geboorte uit. Zie: Human Development Reports, VN (2015). 10 Deze informatie is afkomstig uit Leerkes en Scholten (2016). (De peildatum van dit cijfer is 2007). 11 Pharos (2015) Factsheet Syrische vergunninghouders. Zie: 12 Institut für Arbeidsmarkt- und Berufsforschung (2015) Flüchtlinge und andere Migranten im deutschen Arbeitsmarkt: Der Stand im September IAB; in: Aktuelle Berichte 14/ deredactie.be (2016) Asielzoekers lager geschoold dan verhoopt. 32 De informatie over het gevolgde opleidingsniveau is dus summier. Daarbij beschikken veel vluchtelingen niet meer over hun diploma, omdat dit verloren is gegaan in het herkomstland of tijdens de vlucht. Wel bleek uit niet officieel gepubliceerde cijfers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) dat van de inburgeringsplichtige vergunninghouders op 1 juli 2015 precies een derde (33 procent) hoger opgeleid te zijn. De overige deelnemers bleken middelbaar opgeleid (36 procent), lager opgeleid (27 procent) of analfabeet (4 procent). 14 Informatie over vergunninghouders die zich reeds eerder in dit land hebben gevestigd, levert overigens een vergelijkbaar beeld op. Een uitgebreide survey van het SCP (2011) onder vergunninghouders leert ons dat minder dan een derde van de volwassenen uit de toenmalig belangrijkste vluchtelingenlanden hoger is opgeleid en er grote verschillen bestaan tussen groepen. 15 Daarbij geldt dat het formele opleidingsniveau in veel andere landen niet vergelijkbaar is met het opleidingsniveau in Nederland. Om het opleidingsniveau te kunnen vaststellen is daar waar mogelijk diplomawaardering nodig en zullen vooral instrumenten in het kader van EVC Erkenning van Verworven Competenties moeten worden ingezet. Van de recent ingestroomde groep vergunninghouders is soms wel lokaal actuele informatie beschikbaar. Zo heeft van de recente instroom van vergunninghouders in de gemeente Apeldoorn 17 procent basisonderwijs, 61 procent middelbaar onderwijs en 21 procent HBO/universitair onderwijs genoten. 16 Gezien de herkomstlanden en de verdeling naar geslacht van de onderzochte vergunninghouders in deze gemeente biedt dit waarschijnlijk een redelijk goed beeld van het opleidingsniveau van de meest recente groep vergunninghouders in Nederland. De uitkomsten komen eveneens overeen met bovenstaande cijfers uit België en Duitsland Kennis van de Nederlandse taal De kennis van het Nederlands is onder vergunninghouders over het algemeen zeer beperkt. De WRR (2015) benoemt de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal als een duidelijk probleem met het oog op een succesvolle maatschappelijke participatie van deze migranten. Deze uitkomst is natuurlijk niet verwonderlijk. Vergunninghouders hebben hun vertrek niet of nauwelijks kunnen voorbereiden; in veel 14 Het COA biedt vergunninghouders, ter voorbereiding op het deelnemen aan de Nederlandse samenleving, een programma aan. Tweederde van de kandidaten heeft in dat kader zijn opleidingsniveau aangegeven. De aangegeven niveaus zijn door de vergunninghouders zelf ingevuld. Diploma s worden niet door het COA geverifieerd. 15 De vergunninghouders uit deze survey zijn afkomstig uit Afghanistan, Irak, Iran en Somalië. De gegevens dateren uit Zie meer uitgebreid: Dourleijn, E. [et al.] (2011) Vluchtelingengroepen in Nederland. 16 Gemeente Apeldoorn (2016) Vergunninghouders opnieuw thuis. De Apeldoornse aanpak gevallen was zelfs niet duidelijk dat Nederland de (voorlopige) eindbestemming zou worden. Evenmin is de Wet inburgering buitenland (Wib) voor deze groep van toepassing. Vergunninghouders krijgen pas te maken met de officiële inburgeringsplicht nadat zij in Nederland een voorlopige verblijfsstatus hebben gekregen. Tot die tijd zijn zij aangewezen op de inzet van Nederlandse vrijwilligers. In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan. Onderzoek van Dagevos en Odé (2011) laat zien dat de mondelinge en schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal onder de meerderheid van vergunninghouders uit Afghanistan, Irak en Somalië beperkt is. Alleen voor vergunninghouders uit Iran is het beeld in dit verband gunstiger. Bovendien geeft dit onderzoek aan dat een goede beheersing van het Nederlands vooral samenhangt met de leeftijd waarop men naar Nederland is gekomen. Degenen die op jonge leeftijd naar Nederland zijn gevlucht, hebben over het algemeen een gedegen kennis van de Nederlandse taal. Dagevos (2011) geeft voorts aan dat vergunninghouders die zich via inburgerings- en taalcursussen hebben gekwalificeerd een grotere kans op werk hebben dan degenen die dat niet hebben gedaan. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het beschreven beeld anders is voor vergunninghouders die zich recentelijk in Nederland hebben gevestigd. Ook zij hebben zich immers niet op hun komst naar Nederland kunnen voorbereiden. Door de korte periode in Nederland ligt het minder voor de hand dat zij de Nederlandse taal al beheersen. Actuele gegevens over de beheersing van de Nederlandse taal onder recente vluchtelingengroepen kunnen we echter nog niet uit registraties of surveymateriaal verkrijgen Arbeidsverleden Over het arbeidsverleden weten we maar heel weinig. Op grond van gegevens van de Human Development Index kunnen we slechts concluderen dat de landen met de grootste aanwas van vergunninghouders in Nederland deels landen met een gemiddelde ontwikkeling (Irak en Syrië) en deels met een lage ontwikkeling (Afghanistan, Eritrea) zijn. In deze index worden ook kenmerken van de arbeidsmarkt meegenomen (zoals arbeidsmarktparticipatie, werkgelegenheidsstructuur en werkloosheid). Wat vooral opvalt is dat informatie over de beroepsbevolking in deze landen niet of nauwelijks informatie voorhanden is. Deze informatie is evenmin te vinden in de Nederlandse monitorrapportages over vergunninghouders. 34 2.3.4 Gezondheid De psychische gezondheid van vergunninghouders wordt over het algemeen als problematisch ervaren. 17 Toch wijzen recente publicaties op het feit dat lang niet alle vergunninghouders met trauma s kampen. Volgens de Gezondheidsraad (2016) heeft naar schatting 13 tot 25 procent van de vergunninghouders te kampen met PTSS (posttraumatische stressstoornis) of een depressie. 18 Niet bekend is hoe vaak andere (mentale) gezondheidsproblemen, zoals angststoornissen en psychosen, bij vergunninghouders voorkomen. Uit een kennissynthese van expertisecentrum Pharos (2016) komt naar voren dat meeste vergunninghouders over een grote veerkracht beschikken. Aangegeven wordt dat de huidige vergunninghouders uit relatief veel jonge mensen bestaan die qua gezondheid nog sterk zijn en een actieve bijdrage kunnen en willen leveren aan de Nederlandse samenleving. Wel wijst dit onderzoek op de risico s die verband houden met het Nederlandse model van opvang: lange tijd niks doen is funest voor de gezondheid van vluchtelingen. De WRR (2015) stelt in dit verband dat mentale gezondheidsproblemen niet alleen samenhangen met mogelijk traumatische ervaringen opgedaan in het herkomstland, maar ook met de vluchtgeschiedenis en met een langdurig verblijf in asielzoekerscentra. Deze ongunstige gezondheidssituatie heeft een negatieve invloed op het arbeidsmarktperspectief in Nederland. Volgens Bakker e.a. (2013) hebben personen met een slechte gezondheid geringere kansen op de arbeidsmarkt. Ook Dagevos (2011) stelt dat de gezondheidsproblemen van vergunninghouders een beduidend kleinere kans op een baan op de Nederlandse arbeidsmarkt tot gevolg hebben. 2.4 De maatschappelijke positie van vergunninghouders in Nederland Over de maatschappelijke positie van de meest recente vluchtelingengroepen in Nederland weten we nog maar weinig. Dat is ook logisch; velen zijn nog in afwachting van een verblijfsstatus of zijn nog maar kort geleden begonnen met het opbouwen van een bestaan in Nederland. Alleen met betrekking tot het gebruik van een bijstandsuitkering zijn actuele gegevens beschikbaar. Gegevens over de netto participatie, de positie op de arbeidsmarkt en de werkloosheid van vergunninghouders 17 Volgens Hoeymans e.a. (2010) kampt een overgrote meerderheid van asielmigranten in Nederland met depressieen angstklachten. Ook Schellingerhout (2011) geeft aan dat vergunninghouders over het algemeen minder gezond zijn dan autochtone Nederlanders. 18 De Gezondheidsraad benadrukt overigens dat dit een veel hoger percentage is dan geldt voor Nederlandse bevolking, waarvoor de cijfers voor PTSS en depressie respectievelijk 2,6 en 6 procent zijn. 35 zijn van enkele jaren geleden en gebaseerd op gegevens van groepen met een langere verblijfsduur in Nederland. Het beeld dat we op grond hiervan krijgen, is niettemin weinig rooskleurig Netto participatie Van groepen vergunninghouders die zich reeds eerder in Nederland hebben gevestigd, weten we dat de netto participatie laag is. Volgens het SCP (2011) geldt voor zowel vergunninghouders uit Afghanistan, Irak als Somalië dat minder dan veertig procent van de volwassenen betaald werk heeft. Ter vergelijking: de netto arbeidsparticipatie van de autochtone Nederlanders is ongeveer 70 procent. 19 Dit beeld komt
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks