Please download to get full document.

View again

of 7
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

Geloof, ongeloof en tolerantie. Een commentaar op Van den Brinks moderne visie op de islam

Category:

Entertainment

Publish on:

Views: 9 | Pages: 7

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Waterlandstichting Geloof, ongeloof en tolerantie. Een commentaar op Van den Brinks moderne visie op de islam Dick Pels In het voorwoord bij zijn essay Tekst, traditie of terreur? Naar een moderne visie
Transcript
Waterlandstichting Geloof, ongeloof en tolerantie. Een commentaar op Van den Brinks moderne visie op de islam Dick Pels In het voorwoord bij zijn essay Tekst, traditie of terreur? Naar een moderne visie op de islam in Nederland (Utrecht: Forum, 2004) schrijft Gabriël van den Brink dat de moord op Van Gogh op de meest bittere wijze onderstreept dat wij de modernisering van de islam met alle beschikbare middelen moeten bevorderen. Die conclusie klinkt nogal dreigend, maar het is meteen duidelijk dat de benadering van Van den Brink aanzienlijk verschilt van de harde lijn van VVD-minister Verdonk (die in december jongstleden het eerste exemplaar van zijn essay in ontvangst nam, en de auteur nog bleek te kennen uit hun gedeelde rode jeugd in Nijmegen). Van den Brink keert zich tegen het militante essentialisme en secularisme dat al enige tijd furore maakt binnen de VVD, en dat rechts van die partij wordt gevoed door politici zoals Wilders, Eerdmans en Pastors en opiniemakers zoals Spruyt, Jansen, Cliteur en Ellian. Terecht meent Van den Brink dat het onmogelijk is om serieus te debatteren met religieus geïnspireerde gesprekspartners als je er van meet af aan van uitgaat dat niet alleen de islam, maar elke vorm van godsdienstigheid een achterhaald en achterlijk verschijnsel is. Tegenover de totaliserende benadering van de essentialisten (zowel orthodoxe islamieten als hun fanatieke liberale bestrijders) die de islam als één en ondeelbaar beschouwen, kiest Van den Brink voor een modernistische visie die deze eenheid systematisch opbreekt. Het is volgens hem een misvatting te denken dat een vaste verzameling teksten, denkbeelden en verplichtingen onmiddellijk doorwerkt in sociale gedragingen, culturele voorkeuren en politieke standpunten, zodat er een direct verband kan worden gelegd tussen de boodschap van de Profeet en het terrorisme. In plaats van alle problemen op één hoop te gooien, is het vruchtbaarder om afzonderlijk onze houding te bepalen ten aanzien van de religieuze, de culturele en de politieke dimensies van de islam. Terwijl fundamentalisten alles vanuit de religie willen vormgeven, moeten modernisten zich verzoenen met het langzaam uit elkaar groeien van deze verschillende levenssferen. De kernvraag is volgens Van den Brink dan ook: vatten moslims de pagina 1 van 7 - islam op als een totaliserende ervaring, of kunnen ze (leren) leven met de gedachte dat het moderne bestaan een scheiding van handelingssferen kent? Kunnen zij aanvaarden dat het geloof niet een overkoepelende, allesomvattende identiteit dicteert maar een meer bescheiden rol speelt naast andere levensdomeinen? Zodra deze drie dimensies worden onderscheiden, kunnen afzonderlijke beleidslijnen worden uitgezet ten aanzien van elk van deze. Wat betreft de inhoud van het geloofsleven bepleit Van den Brink een grote mate van terughoudendheid en respect, zelfs van waardering voor de islam als een oprechte poging om zich te verhouden tot de geheimen van het bestaan. In de godsdienstsociologische, uitwendige benadering van religie die hij kiest is het dogmatische probleem of God al dan niet bestaat (het allesbepalende vraagstuk voor zowel rechtgelovigen als hun atheïstische tegenvoeters) niet interessant. Wél interessant is waar godsdienst en spiritualiteit in het algemeen een antwoord op proberen te geven. Van den Brink omschrijft het goddelijke als een kracht die de verdeeldheid van het menselijke bestaan opheft. Deze kracht verwijst naar alle momenten in het bestaan waarop een vorm van verzoening, eenwording of betrokkenheid wordt ervaren. Dat moment breekt aan wanneer bijvoorbeeld na oorlog vrede wordt gesticht, wanneer geliefden het bed delen, wanneer men opgaat in de muziek van Bach, wanneer vergeving wordt geschonken, wanneer men door het verdriet van anderen wordt geraakt, of men zich met het onvermijdelijke verzoent. Gemeenschappelijk aan al deze momenten is dat het besef van strijd, gemis of vijandschap verdwijnt en men de eenheid van het leven ondergaat. Er zijn weinig godsdiensten waarin dit beginsel van de goddelijke eenheid zo nadrukkelijk wordt gethematiseerd als in de islam. Daarom moet de islam worden gerespecteerd en in positieve zin ruimte worden gegeven. Weliswaar schuilt een groot probleem in het gebrek aan denkvrijheid ten aanzien van de Koran, die de status geniet van het ongeschapen woord van God. Een kritische intellectuele elite ontbreekt, en islamieten neigen in het algemeen tot een conservatieve en dogmatische houding. Bevorderd moet worden dat men de teksten in hun tijd en plaats leert interpreteren, en het geloof leert zien als een specifiek domein en niets als iets wat alle facetten van het menselijk bestaan omvat. Modernisering betekent (anders dan de liberale secularisten menen) niet dat men het geloof verlaat, maar dat men zijn verhouding tot het goddelijke op een persoonlijke en actieve wijze vormgeeft. De moderniteit eist een overgang van gehoorzaamheid naar zelfwerkzaamheid. De vrije interpretatie van het geloof moet zoveel mogelijk worden bevorderd, onder andere via de stichting van onafhankelijke imamopleidingen. pagina 2 van 7 - Die respectvolle houding ten aanzien van de inhoud van het geloof is volgens Van den Brink onmogelijk wanneer het gaat over achterstanden van sociaal-culturele aard. Het kan niet zo zijn dat uit respect voor de islam allerlei misstanden in het huwelijk of het gezinsleven worden gerelativeerd of getolereerd. De migrantenculturen worden gekenmerkt door een sterk endogame familiestructuur en een cultuur van collectieve eer en schaamte, die leidt tot de cultivering van gesloten, naar binnen gerichte gemeenschappen. De ouders hebben nog een grote rol bij het vinden van een huwelijkspartner. Het huwelijk zelf heeft een sterk patriarchaal karakter, waarbij de vrouw zich moet voegen naar de wil van haar man, haar broer en haar familie. Hier moet volgens Van den Brink bewust naar modernisering worden gestreefd, zodat de individuele vrijheid en de gelijkwaardigheid van individuen voorrang krijgt boven de macht van het collectief. Hij pleit in dit verband voor een beschavingsoffensief van professionals in sectoren als het onderwijs, de openbare orde, de arbeidsmarkt en de gezondheidszorg, die hun taak veel normatiever moeten gaan opvatten. Zij moeten bijvoorbeeld krachtig optreden tegen vormen van machismo, en in het algemeen de normen die ten grondslag liggen aan de moderne maatschappij handhaven en verbreiden, ook bij degenen die er van huis uit traditionele normen op nahouden. Wat betreft de politieke dimensie moeten we volgens Van den Brink streven naar een actiever burgerschap van moslims in het kader van de rechtsstaat, maar ook repressief optreden zodra dit kader dreigt te worden overschreden. Het probleem is dat de Profeet tegelijkertijd wetgever, bestuurder en veroveraar was, en dat religieuze en staatkundige dimensies in de islam door elkaar heen lopen. Er is geen sprake van een principiële scheiding tussen geloof en machtsuitoefening of tussen kerk en staat. Dat houdt in dat er relatief weinig ruimte is voor denkbeelden of gedragingen die niet stroken met het geloof, laat staan voor stromingen die de islam uitdrukkelijk verwerpen. Hier stuiten we bovendien op het grote probleem van het ressentiment en de openlijke vijandschap jegens de westerse beschaving zoals die door radicale islamieten worden uitgedragen. Voor een deel worden deze sentimenten gevoed door de islamitische moraal, die deugden als rechtvaardigheid en barmhartigheid koestert en zich keert tegen egoïsme, zelfverrijking en menselijke hoogmoed. Anderzijds wordt dit ressentiment gevoed door de herinnering aan het grootste verleden, die de onderwerping door de Europese grootmachten als een vernedering ervaart, en die gemakkelijk ontaardt in een slachtoffer-mentaliteit. Maar er is geen reden waarom die sentimenten niet kunnen worden ingezet voor een vorm van maatschappelijk engagement die juist de burgerrechten en de democratie omarmt. Er is in principe geen tegenspraak tussen actief democratisch burgerschap pagina 3 van 7 - en trouw aan de islam, waarbinnen maatschappelijk engagement zelfs geldt als een morele plicht. Van den Brink vat zijn moderniseringsprogramma samen met behulp van een wat gezochte alliteratie: respecteren (van de geloofsinhoud), investeren (in culturele modernisering) en rechercheren (van politieke bedreigingen van de rechtsstaat). Maar zoals hij zelf vaststelt, blijft het lastig om de drie dimensies van geloof, cultuur en politiek helder en eenduidig van elkaar af te grenzen, ook al omdat zij in het leven van moslims zelf voortdurend door elkaar heen lopen. Ook in de definitie die Van den Brink hanteert, blijft de moderniteit in alle onderscheiden dimensies botsen op de traditionele geloofsinhoud van de islam. Modernisering betekent immers dat zelf denken in de plaats komt van gehoorzaamheid en gezagsgetrouwheid; dat het individuele voorrang krijgt boven het collectieve en het streven naar vernieuwing boven de heiliging van de traditie; en dat de partialiteit gaat boven de totaliteit. Het is dan ook opmerkelijk dat Van den Brink zoveel respect betoont voor de totaliserende opvatting van de goddelijke eenheid (tawhied) die zo sterk leeft in de islam, en aan islamitische deugden als gehoorzaamheid, dankbaarheid, afhankelijkheid, nederigheid en onderwerping (islam betekent letterlijk: onderwerping). Deugden als deze staan immers haaks op de waarden van het verlichte modernisme en individualisme die Van den Brink zelf met zijn beschavingsoffensief aan de (moslim)man wil brengen. Kants beroemde definitie van de Verlichting gaat over het overwinnen van een zelf geschapen onmondigheid; en ook Kant beschouwde de religieuze onmondigheid als de schadelijkste en meest onterende van alle. Als de moderniteit een overgang van gehoorzaamheid naar zelfwerkzaamheid vereist, dan zit de gebiedende, absolutistische idee van de goddelijke eenheid en waarheid die overgang danig in de weg. Juist deze cultus van de onderwerping is vanuit een modern gezichtpunt de meest onbehaaglijke, zo niet ergerlijke eigenschap van de islam (en van andere openbaringsgodsdiensten). Van den Brink pleit niet voor atheïsme, secularisme of geloofsafval, maar voor een vrijere interpretatie van de teksten en een personalisering of privatisering van de geloofsbeleving. Maar zijn flirt met de spiritualiteit en de ervaring van het goddelijke, die het lofwaardige doel dient om een dialoog op gang te brengen in plaats van een breuk te markeren, geeft m.i. toch teveel weg aan het geloof. Als godsdienst gelijkstaat aan het heel maken van wat gebroken is, en de universele ervaring van eenwording uitdrukt, dan conflicteert godsdienst per definitie met het modernisme dat deze eenheid juist wil opbreken. Het hart van de moderne ervaring wordt immers gevormd door het (tragische) inzicht in de gebrokenheid van het bestaan, van het gebrek aan heelheid en van de pagina 4 van 7 - onvermijdelijkheid van de veelheid en het verschil. Democratie is niet zozeer de viering van de eenheid en de consensus, maar juist de erkenning van deze gebrokenheid en verdeeldheid. Het is een manier om het conflict tussen die deels onoverbrugbare waardentegenstellingen te articuleren, uit te houden en te organiseren. Democratie is de vreedzame organisatie van het verschil. De neiging om spiritualiteit vooral te identificeren met verzoening, eenwording en betrokkenheid komt dan ook neer op een onterechte privilegiëring van de helft van de menselijke ervaring. In deze gehalveerde ontologie worden strijd, gemis, concurrentie en vijandschap per definitie negatief gewaardeerd, en heelheid, vrede en harmonie als onverdeeld positief gezien. Maar beide ervaringscomplexen hebben een Janusgezicht en een donkere zelfkant, die in een realistische visie op het menselijk bestaan altijd moet worden ingecalculeerd. In een meer dialectische of conflictsociologische visie gelden strijd, belangenconflict, polemiek, verdeeldheid, concurrentie en zelfs vijandschap (denk aan de politieke theologie van Carl Schmitt) dan ook tevens als onmisbare aanjagers van individuele energie, maatschappelijke creativiteit, intellectuele scherpte, politieke duidelijkheid en culturele vooruitgang. Van den Brink hanteert al met al een eenzijdig communitaristische definitie van spiritualiteit die (te) dicht aanschurkt tegen het islamitische eenheidsbeginsel en het collectivistische gemeenschapsdenken dat daar sterk mee samenhangt. Zijn afstandelijke godsdienstsociologische benadering heeft natuurlijk als voordeel dat er ruimte wordt gemaakt voor een niet- of buitenwetenschappelijke waardering van religieuze verschijnselen en sentimenten, die immers verwijzen naar diepmenselijke ervaringen die de wetenschap niet kan verklaren. De scheiding tussen geloof en wetenschap wijst elk een eigen werkings- en geldigheidsgebied toe, en respecteert zodoende beiderlei autonomie. Maar die segregratie van sferen heeft ook een nadeel. Zij gaat op haar beurt immers uit van de vanzelfsprekende geldigheid van de cognitieve en normatieve grondslagen van de moderne wetenschap. De Durkheimiaanse godsdienstsociologie die Van den Brink als uitgangspunt hanteert is in dit opzicht een getrouwe erfgenaam van de Verlichting. Zij stoelt op een reeks van traditionele neutraliteits-, feitelijkheids- en waarheidsclaims die inmiddels door allerlei postmoderne kennistheorieën op losse schroeven zijn gezet (denk aan het pragmatisme van Rorty of het constructivistische wetenschapsonderzoek à la Latour). Als die postmoderne wetenschapskritiek hout snijdt, dan onttrekt de modernistische scheiding tussen geloof en wetenschap te gemakkelijk aan het zicht dat er allerlei pagina 5 van 7 - continuïteiten tussen beide praktijken bestaan, en dat de moderne rationaliteit pluriformer is en sterker berust op allerlei onfundeerbare geloofselementen dan door Verlichters vaak wordt aangenomen. De modernistische benadering van Van den Brink geeft daarmee niet alleen teveel weg aan de ervaring van goddelijke eenheid, maar schenkt bovendien teveel krediet aan de veronderstelde eenheid van de rede, de logica en de wetenschappelijke methode. Een meer postmoderne en reflexieve benadering van de wetenschappelijke kennisvorming staat veel sceptischer tegenover positivistische leerstukken zoals de scheiding tussen feiten en waarden, tussen wetenschap en ethiek, tussen waarheid en belang (en zelfs tussen geloof en politiek) dan het waarheidsfundamentalisme van het klassieke Verlichtingsdenken. Wonderlijk genoeg komt het postmodernisme daarmee in de buurt van bepaalde religieuze (bijvoorbeeld islamitische) kritieken op de kennistheoretische vooronderstellingen van het westerse rationalisme. Zo maakt de islam (althans volgens de interpretatie van een filosoof als Ramadan) bezwaar tegen allerlei gevestigde dualismen zoals die van geest vs. lichaam, geloof vs. rede of ethiek vs. wetenschap. Juist de totaliserende, universalistische boodschap van de islam zou volgens hem de dynamische balans tussen moraal en rede kunnen herstellen die in de moderne verlichte wetenschap ten onrechte verloren is gegaan. Begeven postmoderne sceptici zich daarmee niet op hun beurt in een kwalijke flirt met het religieuze eenheidsdenken? Dat geloof ik niet, want er is geen groter contrast denkbaar tussen het relativisme van de waarheid en de waarden en de absolute, eeuwige zekerheden die te vinden zouden zijn in een heilig boek als de Koran. Ook Ramadan is niet bepaald van het postmodernisme gecharmeerd: er bestaat volgens hem wel degelijk een universele waarheid, die van de Ene God, die tijdloze beginselen heeft geopenbaard. Ook het manifest van de (Belgische) Moslim Democratische Partij keert zich fel tegen de postmoderne overtuiging dat er geen vaste overtuigingen of objectieve zekerheden meer zouden zijn: Wij geloven, wij zijn zeker van onze overtuiging en wij schamen ons niet om hiervoor uit te komen. De MDP gaat zelfs zover te beweren dat de islam eigenlijk een betere soort wetenschap is, want religieus denken is veel intelligenter en wetenschappelijker dan atheïstisch denken. Spiritualiteit is niet alleen wezenlijk voor de islamitische identiteit, maar moet ook worden gezien als een meer wetenschappelijke benadering van het leven: Een wetenschap die slechts de materie bestudeert is geen totale wetenschap. Het is duidelijk dat deze totaliserende en apodictische denktrant scherp moet worden afgewezen. Maar dat betekent niet dat we de islamitische kritiek op het wetenschappelijk rationalisme niet serieus zouden moeten overwegen. De pagina 6 van 7 - sceptische benadering die ik voorsta beweert niet dat het geloof een beter soort wetenschap is, maar omgekeerd dat ook de moderne wetenschap, in weerwil van haar pretenties van neutraliteit en objectiviteit, uiteindelijk teruggaat op een vorm van geloof. Die relativistische benadering biedt een heel andere opening voor de dialoog met aanhangers van alternatieve levensbeschouwingen dan Van den Brinks flirt met het spirituele eenheidsdenken. Het impliceert in elk geval een scherpere afbakening van het fundamentalisme van de islamitische tawhied en de intolerantie voor andersdenkenden die daarin besloten ligt. Maar anderzijds biedt het door zijn relativering van de waarheidspretenties van de gevestigde wetenschap juist een bredere opening voor het respecteren van levensbeschouwelijke verschillen. Het relativisme toont even weinig respect voor de eenheid van God als voor de eenheid van de Rede, die door secularistische Verlichters vaak als een halfgod wordt aanbeden. Als ook de wetenschap als een vorm van geloof moet worden beschouwd, wordt het in elk geval moeilijker om alternatieve levensbeschouwingen als vormen van bijgeloof af te doen. Van den Brinks modernistische scheiding tussen geloof en wetenschap is een belangrijke stap op weg naar deze nieuwe tolerantie. Maar de paradoxale stelling van dit commentaar is dat juist de relativering van die scheiding een nog beter uitgangspunt biedt voor de heruitvinding van de traditie van tolerantie die wij beide koesteren en waarderen. pagina 7 van 7 -
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks
SAVE OUR EARTH

We need your sign to support Project to invent "SMART AND CONTROLLABLE REFLECTIVE BALLOONS" to cover the Sun and Save Our Earth.

More details...

Sign Now!

We are very appreciated for your Prompt Action!

x