Please download to get full document.

View again

of 22
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.

De invloed van gezinscohesie en ouderlijke kritiek op de ontwikkeling van symptomen van een paniekstoornis bij adolescenten

Category:

Internet & Web

Publish on:

Views: 8 | Pages: 22

Extension: PDF | Download: 0

Share
Related documents
Description
Runninghead:INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK De invloed van gezinscohesie en ouderlijke kritiek op de ontwikkeling van symptomen van een paniekstoornis bij adolescenten Masterthesis Universiteit
Transcript
Runninghead:INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK De invloed van gezinscohesie en ouderlijke kritiek op de ontwikkeling van symptomen van een paniekstoornis bij adolescenten Masterthesis Universiteit Utrecht Masteropleiding Pedagogische Wetenschappen Masterprogramma Orthopedagogiek Naam: Myrthe G. J. Hoey ( ) en Stèfanie Kramer ( ) Thesisbegeleiders: Quinten Raaijmakers en Saskia Wijsbroek Tweede beoordelaar: Ellen Reitz Datum definitieve versie: 20 juni 2014 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK Voorwoord Onderstaand afstudeeronderzoek is tot stand gekomen in samenwerking met onze begeleiders Saskia Wijsbroek en Quinten Raaijmakers. Bij deze nemen wij dan ook graag de gelegenheid hen te bedanken voor de ondersteuning en feedback die ze hebben gegeven. Daarnaast willen we de scholieren die de vragenlijsten hebben ingevuld en de docenten die dit mogelijk hebben gemaakt bedanken. We zijn tevreden met onze goede samenwerking en de kennis die we over dit onderwerp hebben opgedaan. Myrthe Hoey heeft zich geconcentreerd op de eerste vraagstelling rondom gezinscohesie, Stèfanie heeft zich gericht op de tweede vraagstelling rondom ouderlijke kritiek. Beiden hebben ze bijbehorende literatuur beschreven in de theoretische inleiding en waren ze afzonderlijk verantwoordelijk voor de resultaten in de discussie gerelateerd aan eerder onderzoek gericht op hun eigen onderwerp. De data is gezamenlijk geanalyseerd. 2 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK Abstract The aim of this longitudinal study is to determine whether by adolescents experienced family cohesion and parental criticism have an influence on the development of self-reported symptoms of panic disorder [PD] in adolescents. And if gender is a moderator. Participants were 288 students with an age range from 10 to 14 years old, both boys (n = 142) and girls (n = 146), from the eighth grade of elementary schools (n = 112) and the first (n = 125) and second grade (n = 51) of high schools. Data was collected though a self-report questionnaire. Participants answered this questionnaire twice, approximately five months apart. Hierarchical regression analyzes showed no significant influence from family cohesion and parental criticism on the development of panic symptoms in adolescents. Gender does not appear to be a moderating factor. There is a development of the adolescents experienced symptoms of PD. More research is needed on the influence of family cohesion and parental criticism on both the development of symptoms of PD and other anxiety disorders. Also, for future research it is recommended to measure the symptoms of PD on more occasions throughout adolescence, to gain more information about the development of PD. Keywords: Panic, adolescents, family cohesion, parental criticism, development, gender. Samenvatting Het doel van deze longitudinale studie is onderzoeken of de door adolescenten ervaren gezinscohesie en ouderlijke kritiek invloed hebben op de ontwikkeling van zelfgerapporteerde symptomen van een paniekstoornis (Panic Disorder [PD]) bij adolescenten. Ook wordt onderzocht of dit verschilt tussen jongens en meisjes. Participanten bestonden uit 288 scholieren tussen 10 en 14 jaar oud, zowel jongens (n=142) als meisjes (n=146), van de basisschool (n=112), de brugklas (n=125) of de tweede klas van de middelbare school (n=51). Er is gebruik gemaakt van een zelfrapportage vragenlijst, die tweemaal is ingevuld met een tussenliggende periode van ongeveer vijf maanden. Na het uitvoeren van hiërarchische regressieanalyses komt naar voren dat ouderlijke kritiek en gezinscohesie geen invloed hebben op de ontwikkeling van symptomen van PD bij adolescenten. Sekse blijkt hierbij geen modererende factor te zijn. De adolescenten laten wel een ontwikkeling in symptomen van PD zien. Meer onderzoek is nodig naar de invloed van gezinscohesie en ouderlijke kritiek op zowel de ontwikkeling van symptomen van PD als andere angststoornissen. Tevens wordt voor toekomstig onderzoek aangeraden om de adolescenten voor een langere periode te volgen, om zo de ontwikkeling van symptomen van PD beter in kaart te krijgen. Steekwoorden: Paniek, adolescenten, gezinscohesie, ouderlijke kritiek, ontwikkeling, sekse. 3 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK Inleiding In deze longitudinale studie wordt onderzocht of gezinscohesie en ouderlijke kritiek invloed hebben op de ontwikkeling van de door adolescenten gerapporteerde symptomen van PD en of sekse hierbij een modererende factor is. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat gezinscohesie (Barber & Buehler, 1996; Peleg-Popko & Dar, 2001) en ouderlijke kritiek (Hale, Raaijmakers, Gerlsma, & Meeuws, 2007; Hudson & Rapee, 2001) geassocieerd worden met angst bij adolescenten. Resultaten zijn echter wisselend en er is geen onderzoek gedaan naar de specifieke invloed van gezinscohesie en ouderlijke kritiek op de ontwikkeling van zelfgerapporteerde symptomen van PD bij adolescenten. Adolescentie is de periode waarbij PD vaak zijn eerste piek heeft (APA, 2000). Daarnaast komt in een onderzoek naar de kwaliteit van leven tussen verschillende soorten angststoornissen (sociale fobie, gegeneraliseerde angststoornis, posttraumatische stress stoornis, obsessieve compulsieve stoornis en PD) naar voren dat een verminderde kwaliteit van leven voornamelijk bij PD geldt (Mendlowicz, Murray, & Stein, 2000). Het is van belang om de ontwikkeling van symptomen van PD te onderzoeken bij adolescenten, omdat uit onderzoek is gebleken dat ontwikkelingstrajecten van angst kunnen verschillen, voor zowel jongens en meisjes als verschillende leeftijdsgroepen (Lewinsohn, Gotlib, Lewinsohn, Seeley, & Allen, 1998). Naar aanleiding hiervan wordt exploratief onderzocht of gezinscohesie en ouderlijke kritiek invloed uitoefenen op de ontwikkeling van symptomen van PD bij adolescenten. Gezinscohesie en de ontwikkeling van paniek bij adolescenten Gezinscohesie verwijst naar de mate van emotionele verbondenheid en aansluiting tussen gezinsleden. Gezinscohesie is een continuüm, met in het midden een gezond functionerend gezin in balans en op de twee polen een hoge mate en een lage mate van gezinscohesie. Een hoge mate van cohesie wordt gedefinieerd als een hoge mate van wederzijdse afhankelijkheid en een gebrek aan zelfstandigheid binnen het gezin (Bowen, 1978; Olson, 2000). Gezinnen met een hoge mate van gezinscohesie worden geassocieerd met ouderlijke overbescherming. Een mogelijk gevolg hiervan is dat de adolescent beperkte mogelijkheden heeft om uitdagingen aan te gaan en copingvaardigheden te ontwikkelen (Barber & Buehler, 1996). Een lage mate van cohesie binnen een gezin wordt gekenmerkt door veel zelfstandigheid, emotionele afstand en vervreemding tussen de gezinsleden. Adolescenten in deze gezinnen kunnen een gebrek aan warmte en steun ervaren (Olson, 2000). De twee uiterste maten van cohesie kunnen volgens het Circumplex model van Olson 4 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK (2000); dat zich richt op cohesie, flexibiliteit en communicatie, problematisch zijn voor de gezinsleden in hun ontwikkeling, omdat zelfstandigheid en verbondenheid uit balans zijn. Uit onderzoek van Barber en Buehler (1996) en Peleg-Popko en Dar (2001) blijkt dat zowel een hoge als een lage mate van cohesie in het gezin kan leiden tot angst bij adolescenten. Ook Prange et al. (1992) vonden in hun onderzoek een samenhang tussen een lage mate van gezinscohesie en internaliserende problemen bij adolescenten met ernstige emotionele stoornissen. Tussen angst en depressie wordt in dit onderzoek echter geen verschil gemaakt. Uit onderzoek van Millikan, Wamboldt, en Bihun (2002) komt naar voren dat het functioneren van het gezin geen significante voorspeller is van angst bij adolescenten. Het gezinsfunctioneren dat werd gemeten bevatte constructen zoals verbondenheid en betrokkenheid, welke ook voor de omschrijving van cohesie worden gebruikt. Hiervoor beschreven onderzoeken zijn echter cross-sectioneel. Omdat in dit onderzoek de ontwikkeling van symptomen van PD wordt gemeten is het relevant om de volgende longitudinale onderzoeken te beschrijven. Nomura, Wickramaratne, Warner, Mufson, en Weissman (2002) vonden in hun onderzoek dat een lage mate van gezinscohesie niet gerelateerd is aan het ontstaan van angst bij adolescenten. Uit een onderzoek van Lucia en Breslau (2006) blijkt dat een hoge mate van gezinscohesie wordt geassocieerd met minder internaliserende problemen bij de adolescent tussen de meetmomenten. Hierbij is echter geen verschil gemaakt tussen angst en depressie. Er lijkt geen consensus te bestaan wat betreft de invloed van gezinscohesie op angst of de ontwikkeling van angst bij adolescenten. Wellicht speelt het verschil in onderzoeksdesign een rol in het verschil in de bevindingen. Daarnaast wordt het construct gezinscohesie niet altijd op dezelfde manier gemeten en omschreven, waardoor er geen valide vergelijking gemaakt kan worden tussen de verschillende onderzoeken. Uit bovenstaande blijkt dat er onderzoek gedaan is naar gezinscohesie en angst in het algemeen. Er is echter geen onderzoek gedaan naar de specifieke invloed van gezinscohesie op de ontwikkeling van PD en symptomen van PD. Verschillende studies hebben aangetoond dat de door adolescenten ervaren gezinscohesie afneemt in de loop van de adolescentie. (Baer, 2002; Conger & Ge, 1999). Hieruit kan worden opgemaakt dat het relevant is om het verband tussen gezinscohesie en de ontwikkeling van symptomen van PD bij adolescenten te onderzoeken. Meisjes hebben een groter gevoel voor emotionele en sociale verbondenheid (Davies & Lindsay, 2004) dan jongens. Dit kan betekenen dat zij ook gevoeliger zijn voor emotionele verbondenheid binnen het gezin. Omdat meisjes ook vaker symptomen van PD ervaren dan jongens (Bosquet, & Egeland, 2006; Clark et al., 1994; Hale et al., 2008; Lewinsohn et al., 1998) zal worden onderzocht of sekse een modererende factor is. De 5 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK explorerende onderzoeksvraag luidt: Heeft gezinscohesie invloed op de ontwikkeling van symptomen van PD bij adolescenten? En is sekse hierbij een modererende factor? Ouderlijke kritiek en de ontwikkeling van paniek bij adolescenten Hale et al. (2007) geven aan dat er weinig aandacht geschonken is aan de beleving van de adolescent betreffende Expressed Emotion (EE) in relatie tot symptomen van angst bij adolescenten. EE betreft emoties die door ouders worden geuit richting hun kinderen (Hale et al., 2007) en wordt gebruikt als maatstaf om ouder-kind relaties te beoordelen. De aanname is dat de manier waarop ouders over hun kinderen praten, indiceert hoe ze met hun kinderen omgaan in het dagelijks leven (McCarty, Lau, Valeri, & Weisz, 2004). In verschillende empirische onderzoeken wordt een samenhang gevonden tussen EE en (de ontwikkeling van) psychische stoornissen bij adolescenten (Asarnow, Tompson, Woo, & Cantwell, 2001; Butzlaff & Hooley, 1998; Hale et al., 2007; McCarty, et al., 2004). Ouderlijke kritiek is een vorm van EE (Hale et al., 2007). Een hoge mate van ouderlijke kritiek wordt gekenmerkt door meer negativisme, vijandelijkheid en afkeer in vergelijking met minder kritische ouders en is een indicator voor problematische ouder-kind interacties (McCarty et al., 2004). In verschillende empirische onderzoeken komt de negatieve relatie tussen ouderlijke kritiek en het welbevinden van adolescenten naar voren. Bendayan, Blanca, Fernández-Baena, Escobar, en Trianes (2013) rapporteren dat ouderlijke kritiek geassocieerd wordt met ontevredenheid over het leven in de vroege adolescentie. Harris en Howard (1984) hebben middels een zelfrapportage bij adolescenten de invloed van ouderlijke kritiek op het welbevinden van adolescenten onderzocht. Hoe meer kritiek een adolescent van de ouder ervaart, hoe meer hij zichzelf op die manier zal gaan zien, waardoor een negatief zelfbeeld kan ontstaan. In verschillende cross-sectionele onderzoeken wordt een samenhang gevonden tussen een hoge mate van ouderlijke kritiek en symptomen van angst bij adolescenten (Hale et al., 2007; Hudson & Rapee, 2001). Woodruff-Borden, Morrow, Bourlan, en Cabron (2002) geven aan dat een negatieve ouder-kind interactie sterk gerelateerd is aan symptomen van angst bij jong adolescenten, hier wordt echter een ander concept dan ouderlijke kritiek besproken. Aanvullend hierop geven Hudson en Rapee (2004) aan dat er een sterke relatie is gevonden tussen een negatieve ouder-kind interactie en de beleving van de adolescent over deze interactie (zoals beschreven in Hale et al., 2007). Gar en Hudson (2008) geven aan dat moeders van angstige adolescenten meer kritiek uiten dan moeders van niet-angstige adolescenten. Er zou hierbij echter ook sprake van een wisselwerking kunnen zijn. Aangezien 6 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK dit onderzoek zich richt op de ontwikkeling van angst, is het van belang om aandacht te schenken aan longitudinale onderzoeken. Ginsburg, Grover, en Ialongo (2005) geven aan dat ouderlijke kritiek het zelfvertrouwen van kinderen en jong adolescenten kan ondermijnen, wat onzekerheid en sensitiviteit voor kritiek tot gevolg kan hebben. Deze dynamiek kan voor een toename van angst zorgen. Ook geven zij aan dat een hogere mate van ouderlijke kritiek geassocieerd wordt met een hogere mate van angst op latere leeftijd. Bovenstaande bevindingen zijn echter tegengesteld aan het longitudinale onderzoek van Hirsfeld, Biederman, Faraone, en Rosenbaum (1997) die geen invloed hebben gevonden van moederlijke kritiek op symptomen van angst. Mogelijk kan de verklaring hiervoor gevonden worden in het feit dat het onderzoek zich alleen richt op moederlijke kritiek bij kinderen en jong adolescenten. Bovenstaande onderzoeken richten zich op angststoornissen in het algemeen, er is echter geen (longitudinaal) onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van symptomen van PD bij adolescenten en de ouderlijke kritiek die ze ervaren. Aangezien EE in verband wordt gebracht met psychische stoornissen (Asarnow et al., 2001; Butzlaff & Hooley, 1998; Hale et al., 2007; McCarty et al., 2004) en ouderlijke kritiek geassocieerd wordt met gevoelens van angst bij adolescenten (Ginsburg et al., 2005; Hale et al., 2007; Hudson & Rapee, 2001) kan hieruit worden opgemaakt dat het relevant is om dit verder te onderzoeken. Bovendien is dit tegengesteld aan het onderzoek van Hirsfeld et al., (1997) die geen invloed vonden van moederlijke kritiek op symptomen van angst. Omdat er nog weinig zicht is op de relatie tussen de door de adolescent ervaren EE en symptomen van angst (Hale et al., 2007) zal dit onderzoek zich specifiek gaan richten op de relatie tussen ervaren ouderlijke kritiek, een vorm van EE, en de ontwikkeling van PD symptomen bij adolescenten. Uit verschillende onderzoeken blijkt daarnaast dat meisjes meer PD symptomen rapporteren dan jongens (Bosquet, & Egeland, 2006; Clark et al., 1994; Hale et al., 2008; Lewinsohn et al., 1998). Hale et al. (2007) geven aan dat het nog onvoldoende duidelijk is of sekse invloed uitoefent op ervaren EE bij adolescenten. In deze studie zal daarom tevens worden onderzocht of de invloed van ouderlijke kritiek op de symptomen van PD bij meisjes anders is dan bij jongens. Symptomen van angst en paniek bij adolescenten De adolescentie is een periode gemarkeerd door veranderingen, zowel op fysiek, sociaal als psychologisch gebied (Cameron, 2004; Dahl, 2004). Deze veranderingen kunnen veel angst met zich meebrengen, wat beperkend kan zijn in het dagelijks leven (Cameron, 2004). Angst wordt volgens Koot, Ferdinand, en Viegersmid (2002) pas als een symptoom 7 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK van een stoornis gezien als de adolescent hierdoor niet in staat is om te voldoen aan leeftijdsadequate gedragseisen. Hierbij wordt het kunnen herstellen van angst als een belangrijke indicator gezien. Uit meerdere epidemiologische studies komt naar voren dat angststoornissen een van de meest voorkomende vormen van psychopathologie is bij adolescenten (Costello, Egger, & Angold, 2005; Costello, Mustillo, Erkanli, Keeler, & Angold, 2003). Daarnaast kan angst leiden tot psychische stoornissen (Bittner et al., 2007; Verhulst, Van Der Ende, Ferdinand, & Kasius, 1997). Verschillende longitudinale onderzoeken rapporteren dat angstsymptomen gedurende de adolescentie licht afnemen (Gullone, King, & Ollendick, 2001; Hale et al., 2008). Greaves- Lord, Verhulst, Ormel, van Oort, en Huizink (2009) rapporteren echter dat symptomen van angst in de vroege adolescentie afnemen en tussen midden en late adolescentie weer toenemen. Meisjes vertonen gedurende de adolescentie meer angstsymptomen dan jongens (Bosquet & Egeland, 2006; Clark et al., 1994; Hale et al., 2008; Lewinsohn et al., 1998). Tevens hebben meisjes, naarmate ze ouder worden, een groter risico op het ontwikkelen van angststoornissen, dit risico blijft voor jongens stabiel (Lewinsohn et al., 1998). Angststoornissen zijn vaak chronisch van aard (Bittner et al., 2007), zijn stabiel en voorspellend voor stoornissen op latere leeftijd (Koot et al., 2002). Een angststoornis brengt een verminderde kwaliteit van leven met zich mee (Mendlowicz et al., 2000), dit kan zich onder andere uiten in een tekort in sociaal functioneren (Mancini & Farvolden, 2003; Van Ameringen, 2003). In de DSM-IV-TR (APA, 2000) wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten angststoornissen. In een onderzoek van Mendlowicz et al. (2000) waarbij kwaliteit van leven tussen verschillende soorten angststoornissen wordt onderzocht (sociale fobie, gegeneraliseerde angststoornis, posttraumatische stress stoornis, obsessieve compulsieve stoornis en PD) komt naar voren dat een verminderde kwaliteit van leven voornamelijk bij PD geldt. PD wordt beschreven als een periode van intense angst en ongemak met terugkerende onverwachte paniekaanvallen, gevolgd door angst voor nieuwe paniekaanvallen (APA, 2000). Een paniekaanval wordt ervaren als een periode waarbij er plotseling vrees, angst of schrik ontstaat die geassocieerd is met gevoelens van naderend onheil. Dit gaat onder andere samen met kortademigheid, hartkloppingen en de angst om de controle te verliezen. PD komt voor bij 0,5 procent van de adolescenten (Essau, Conradt, & Petermann, 1999; Ford, Goodman, & Meltzer, 2003; Whitaker et al., 1990). PD komt vaker bij meisjes voor dan bij jongens (Suveg, Aschenbrand, & Kendall, 2005). Een paniekaanval is onderdeel van PD, maar kan ook op zichzelf staan of samenhangen met een andere angststoornis (APA, 2000). Paniekaanvallen komen vaker voor dan PD, procent van de 8 INVLOEDVANGEZINSCOHESIEENOUDERLIJKEKRITIEKOPPANIEK adolescenten geven aan minstens één paniekaanval te hebben ervaren (Essau et al., 1999; King, Ollendick, Mattis, Yang, & Tonge, 1997). Paniekaanvallen worden bij zowel jongens als meisjes even vaak gerapporteerd. King et al. (1997) en Mattis en Ollendick (2002) geven daarentegen aan dat paniekaanvallen vaker bij meisjes voorkomen dan bij jongens. Er zijn verschillende longitudinale onderzoeken gedaan naar de ontwikkeling van PD bij adolescenten, deze zijn echter niet eenduidig. Costello et al. (2003) rapporteren dat de prevalentie van PD toeneemt gedurende de adolescentie. Hale et al. (2008) geven echter aan dat symptomen van PD afnemen over tijd en dat deze afname het sterkst is gebleken bij vroeg-adolescente jongens. Een ander onderzoek beschrijft dat symptomen van PD afnemen in het begin van de adolescentie en vervolgens in de late adolescentie licht toenemen (Van Oort et al., 2009). Onderzoeksvraag Gebaseerd op het literatuuronderzoek zijn de volgende exploratieve onderzoeksvragen opgesteld: Hebben gezinscohesie en ouderlijke kritiek invloed op de ontwikkeling van de door adolescenten gerapporteerde symptomen van PD? En is sekse hierbij een modererende factor? Methode Participanten De participanten van dit onderzoek waren 288 scholieren, waarvan 142 (49.31%) me
Similar documents
View more...
Search Related
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks
SAVE OUR EARTH

We need your sign to support Project to invent "SMART AND CONTROLLABLE REFLECTIVE BALLOONS" to cover the Sun and Save Our Earth.

More details...

Sign Now!

We are very appreciated for your Prompt Action!

x